maandag 9 mei 2016

Meisjes thuis brengen was in die tijd gevaarlijk





De deur naar de keuken die op een kier stond ging verder open. Kees kwam in haar blikveld met borden en bestek.‘
 ‘Ben je nog met die foto’s bezig meisje!’
‘Ja dat mag  toch wel. Trouwens weet je wat er van Karel geworden is. Was  wel een vreemde snoeshaan vind je ook niet. Hij kon soms raar uit de hoek komen.’
‘Een jaar of twaalf na de mulo, ben ik hem eens tegengekomen. Hij had toen van dat lange Michiel de Ruiterhaar en had de school voor journalistiek gedaan.’
‘Ja de mode  van die tijd, gelukkig heb jij het altijd kort gehouden. Wat eten eigenlijk!’
‘Avocado met garnalen, heldere groentesoep, gebakken aardappels met schnitzel en een toetje, aardbeien met slagroom na. Kan dat je goedkeuring wegdragen!’
Hij verdween in het kombuis  ‘Hebben we nog ander knabbels dan die pinda’s en  is er nog meer frisdrank!’
Door het keukenlawaai reageerde hij niet. Ze mijmerde voort over hoe Kees tegen wil en dank verstrikt raakte in dorpsaffaires. Hoewel  wat had hij met die Panda daar op dat grote voetbalgrasveld eigenlijk gedaan ‘Het voelde alsof  ik naar de verte groeide’, zei hij.  Om uitleg gevraagd begon hij over een dichtregel die hij ooit gelezen had. Hij schreef af en toe zelf ook wel eens wat. Dat was een soort beschadiging die hij door dat voordragen bij  de leraar Nederlands opgelopen had. Bovendien stelden zijn versjes niet veel voor. Toch streelde het wanneer hij iets voor haar maakte.

Heel veel later na dat gedoe in het park waren ze dus met z'n vieren het dorp uit gefietst. Karel was nu ook van de partij. Gert had zich met Riekje van de dokter  tussen de rododendrons verstopt en bleek naderhand onvindbaar.
Na de brug over de Grift, gingen ze verder, langs de kanaaldijk naar beneden. Het was een streek met vreemde landhuizen, boerderijen en landerijen. Ze slingerden met hun fiets over de onbekende weg, riepen luid allerlei grappige dingen  naar elkaar. De stemming kon uitstekend genoemd worden. In het donker was niet te zien hoe het met Freek ging. Aan het eind van die lange vrolijke weg naar V. liep de weg omhoog tegen de rivierdijk. Ze sloegen linksaf. Er werd weinig meer gezegd en het groepje reed het onbekende korte dijkdorpje binnen.

Panda had haar hand op zijn stuur gelegd. Na het plaatsnaambord stond in de nacht een grote groep jongens en mannen met fietsen zwijgend bij elkaar. Ze zagen sigaretten in het duister opgloeien en hun groet werd niet beantwoord. Toen ze verder fietsten, bleef het stil achter hen. Ze zeiden niets. Panda en Mathilde die nu voorop reden,  hadden wat gefluisterd. Aan 't eind van de plaats moesten ze via een lange weg langs de dijk naar beneden, waar ergens in het weiland de meisjes op boerderijen leefden. In de verte hoorden ze toen het geluid van snelle fietsbanden en hijgende stemmen.
‘Dit gaat niet goed,’  had Freek gezegd, ‘ laten we maken dat we wegkomen, anders krijgen we straks op onze sodemieter.’
Ook de meisjes werden onrustig. Ze gingen steeds sneller en gehaaster fietsen en het geluid van hun achtervolgers werd duidelijker; ze konden nu stemmen onderscheiden. Freek ging op de trappers staan om meer vaart te zetten.
Maar Karel remde af, sprong van zijn fiets en riep: ‘Ik zal wel eens vragen wat  nou precies de bedoeling is!’
‘Nee niet stoppen schreeuwde zijn vriendin, dan krijg je een pak rammel.’

Bij twee boerenhuizen stoven Mathilde en Panda het erf op. Ze riepen, ‘dáág, tot de volgende keer,’ en,’ doorrijden jullie!’
Ze schreeuwden over onze sturen gebogen terug: ‘Ja dat is goed,’ en scheurden verder over de hun onbekende grindweg; met op de hielen, zo leek het, 't halve dorp. Het werd fietsen op leven en dood en  Freek  siste tegen hem: ‘Doorrijden, niet omkijken, dan val je en ben je de sigaar.’
De weg  veranderde in een karrenspoor met veel oneffenheden; ze hadden al hun stuurmanskunst nodig om op de been te blijven. Er waren geen huizen meer; donkere hoge populieren staken dreigend af tegen de lichtere hemel. 
Het geroep en het lawaai achter hen werd minder.  De jacht  was misschien opgegeven. Ze kwamen in een onoverzichtelijk netwerk van fietspaden, hadden geen idee waar ze zaten. Buiten adem bleven ze achter elkaar doorrazen.  
 Freek en hij wisten heel goed dat die dorpsjongens  niet zachtzinnig zouden zijn: vrijen met een meisje van een ander dorp werd zwaar bestraft en ze konden zich voorlopig langere tijd niet in V. laten zien.

Toen was het fietsspoor er niet meer; ze kwamen in een weiland, over het gras ging het op topsnelheid verder. Bij een hek moesten ze afstappen om in het volgende perceel te komen. Nog altijd was in de verte achter hen geschreeuw. Ze hadden nu een kleine voorsprong en passeerden weer een aantal hekken. In het donker  zochten ze tussen de koeien en schapen die bezorgd loeiden of verstoord mekkerden een weg en toen werd het rustig.  
 De boze dorpsjeugd had de strijd opgegeven of was nu buiten de grenzen van hun dorp. Vermoeid en doodop ploften  hij en Freek in het vochtige gras neer.
Waar waren ze; waar lag hun vertrouwde H? Teruggaan naar het andere dorp beteken­de zelfmoord. Lange tijd zaten ze daar zo uit te blazen.
Daarna liepen ze met de fiets aan de hand door verschillende weilanden met hier en daar een boerderij met een spaarzaam verlicht raam. Toen was er een fietspaadje dat ze herkenden. Ze  waren vlak bij huis aan een heel andere kant van het dorp.  Freek zei hem gedag. Kees reed langzaam naar de Langeslag  Veel te laat kwam hij zo thuis.  

De volgende dag was hij in het dorp Karel Mosterd tegengekomen. Die zag er belabberd uit, had  blauw oog en een kapotte lip. Hij mopperde dat die inboorlingen daar achter de dijk hem met z’n allen afgetuigd hadden en ze  staken de banden van zijn fiets lek zodat hij van Vorchten of Veessen of hoe dat rotgehucht ook mocht heten, naar huis moest lopen. Ze riepen hem nog na dat als hij zo nodig verkering met een van hun meisjes wou, hij eerst voor een paar flessen jenever moest zorgen. Hij was pas ver na twaalven thuisgekomen. Zijn vader was boos, deed misschien aangifte. Karel hoefde zo’n rotmeid die hem in de val lokte niet meer en hij  kreeg langzamerhand tabak van  die gluiperd van een Gert. Hij had immers alles geregeld en lachte in zijn vuistje.
©c.u.

Geen opmerkingen: