Posts tonen met het label verongelukt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verongelukt. Alle posts tonen

woensdag 30 maart 2011

Luchtgevechten



Vroeger hielp ik mijn ooms in 't hooiland. We namen brood mee voor de hele dag. Op een keer legde mijn oom Jan z'n boterhammen en kouwe  sterke koffie bij de slootkant. Met zijn paard en een rare machine ging hij het hooi schudden en ik mocht het bij elkaar harken.
Toen we een tijdje bezig waren, gaf hij een schreeuw; riep: ' ho' tegen het paard, schopte z'n klompen uit en begon richting sloot te rennen.
Verbaasd keek ik op: bij de slootkant zat een grote zwarte kraai, die Jan 's jasje opzij sleepte; het pakje brood in zijn snavel nam en zich daarna met ferme wiekslagen uit de voeten maakte. Wij hadden het nakijken.

De kraai had op een hek ons die morgen zien komen; hij kende het gedrag van mensen  op ’t land, wist dat ze brood bij zich hadden en had gezien hoe oom  Jan z'n middageten onder de jas verstopte.
Ik  vond 't wel geinig, maar Oom zag dat anders en het was maar goed dat hij z'n geweer niet bij zich had.

Een aantal jaren geleden liet ik mijn duiven vaak los tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen.
Het was bij een parkeerplaats waar meer melkers met duiven kwamen. Je staat er hoog op de dijk, hebt ruim zicht en kunt je duiven lang volgen. Achter je ligt de rivier en voor je zijn de weilanden met in de verte de bosrand van de Veluwe.
Meestal loste ik de duiven in één groep en voor ik dat deed, keek ik  naar de hemel of er roofvogels  stonden te bidden. Was de lucht schoon dan trok ik de mand open.
Jagende valken en sperwers en meer van dat gespuis zie je niet altijd. Ik zou haast zeggen:’ Als je ze ziet is er geen vuiltje aan de lucht!’

                           bij Meerkerk;duif met open snavel is de 001,voor hem vliegt de jonge 64,onderaan de39

Op een keer liet ik mijn duiven één voor één vrij. Ze doken van de dijk af en trokken laag over het grasland naar huis, allemaal op dezelfde koers. Ik had na aankomst de duiven in de mand eerst een minuut of tien laten bijkomen van de autotocht.
De laatste vogel die vertrok, was de 917; een donkere doffer. Toen hij de bosrand  bereikte, stortte zich van links in een flits een roofvogel op hem. 
M'n duif zwenkte met een scherpe hoek in tegenovergestelde richting, maar de havik of valk draaide mee. In een wilde achtervolging gebeurde dit nog een paar maal. Telkens als de rover mijn 917 te grazen wilde nemen, ontsnapte hij.

De derde of vierde keer was 't zover, maar toen  wierp zich met veel lawaai een groep kieviten in de strijd; ze doken schreeuwend op de roofvogel neer. Die werd gestoord in zijn jacht; mijn duif vloog naar de grond en kwam het gras achter een boerderij terecht. Bij thuiskomst, zag ik de 917 op het hok zitten. Vanaf die tijd heette hij de valk.
Naar de plek bij de parkeerplaats ging ik niet meer; het was er onveilig. Ik herinnerde mij  die boze Oom Jan die op  kousenvoeten  vloekend en tierend achter een kraai aanzat.
Ik was er van overtuigd dat de roofvogel ergens in een hoge boom of op een schuur had gezeten en dat hij mij met mijn mandje had zien komen en toen de laatste duif extra laag over de grond vertrok, had hij gedacht: kip ik heb je!

In maart of april van dit jaar ging ik op een stille zondagmorgen wat duiven africhten. Van mijn buurman kreeg ik drie late jonge doffers mee die op de natour in september al wat training hadden gehad.
Ik reed naar de plek waar het Amsterdam -Rijn kanaal met sluizen in de Rijn  komt. Daar kwam ik vaker; ook dat is een plek waar melkers graag hun duiven lossen. Toch staan daar wat hoge populieren en ook op de hoge sluistorens kan best iemand zitten met boze plannen.
Ik gaf eerst Buurman’s dieren de vrijheid; toen ik me oprichtte van de mand waren de vogels gevlogen; letterlijk en figuurlijk. Ze waren van de aardbodem verdwenen. Nergens  tot ver in de wijde omtrek was een duif te zien; het was ongewoon stil in de lucht. 
Daarna liet ik een geroutineerde oude overnachtduivin los en vervolgens ging de grote mand open en vertrok de rest. Die zag ik nog wat rondtrekken voor ze in noordelijke richting verdwenen.

Toen ik thuis kwam, waren die duiven thuis. De duivin en jonge doffers van de buurman ontbraken. We hebben ze nooit terug gezien.
Mijn buurman vond 't gek dat z'n duiven weg waren. Drie of vier duiven op één morgen gepakt door roofvogels , was een beetje te veel van het slechte, maar volgens mij was het niet onmogelijk dat een paar van die zware gevederde criminelen  mij geduldig hadden zitten opwachten. 
Ze zullen tegen elkaar gezegd hebben:’ Moet je opletten, jongens, daar heb je weer zo'n suffe duivenmelker!’
De moraal van het verhaal: ga niet steeds naar dezelfde plek, geef je ogen goed de kost en wantrouw de stilte.
O ja, de 917, mijn valk, raakte ik kwijt op Bergerac of Montlucon.

tekst en foto© c.u.

zaterdag 26 maart 2011

Het trieste einde van de duif Belmondo



Verrassingen zijn niet altijd even  aangenaam. Dit verhaal gaat niet over  een Franse filmster maar over een onfortuinlijke duif. Bij het maken van een reportage had ik eens kennis gemaakt met een duivenmelker die superhard met zijn  duiven vloog. Hij had die met Italiaansklinkende namen gedoopt en toen ik wat later op een slecht bezochte verkoping voor 35 euro een jonge donkere duif van het Van der Wegensoort  aanschafte, noemde ik die aanwinst Belmondo. Wie weet ging dat beestje daardoor ook geweldig presteren! Het spreekwoord luidt toch niet voor niks: ‘ Nomen est Omen; De naam is het voorteken’
Op een avond midden augustus kreeg ik een jongen met een sopraanstem  uit Baarn aan de telefoon:’Meneer, ik heb hier een duif van U. Het is nummer 26. Dat staat op de ring.’
Ik reageerde verheugd, want de 26 was een jonge kras die ik  van de warme- oostenwind- Morlincourt van een dag of tien daarvoor, was kwijt geraakt. Het duifje was vier keer mee geweest, meldde zich telkens als eerste op zijn thuishaven.

De beller temperde mijn vreugde met: ‘Hij is dood, meneer, er was hier vanavond een wolkbreuk en het waaide knoerthard. Ik denk dat ie ergens tegenaan gevlogen is. Hij lag na de regen  hier opeens op het erf.’
Ik zei dat ik de duif de volgende dag toch wilde ophalen en vernam dat de opvanger  ergens in de polder langs  de Eem woonde. De duif had tenslotte 4x prijs gevlogen en ik kon de chipring  en de gewone ring natuurlijk nog wel weer gebruiken.
De jonge Soprano vertelde dat ie op maandagmorgen naar school moest, maar dat zijn vader en Opa wel in de buurt van het huis waren.
’Heus meneer, eigenlijk kan ik die duif beter weggooien en U kunt er natuurlijk niet meer mee vliegen,’grapte hij nog, maar ik was niet van mijn plan af te brengen.
’Het is heel fijn dat je gebeld hebt. Nu weet ik tenminste wat er van m’n duiven  terechtkomt,’zei ik nog.

De maandagmorgen bracht mij,  na wat zoeken en verkeerd rijden, bij een boerderij aan de oever van  het riviertje de Eem.
De boer die met een tractor tussen een hooiberg en de bijgebouwen rondreed, schreeuwde en wees:’ U komt voor die duif! Daar  bij de achterdeur!’
Ik liep er heen: in een plastic zak waarin kunstmestkorrels hadden gezeten, lag het geraamte van mijn 26. Dat was een onaangename verrassing. Er zat geen veer of vlees meer aan. Een en ander stonk behoorlijk. Inspectie van de beide ringen bracht de tweede schok: Het was niet de jonge succesvolle 26 maar de 062 van 2000, de Belmondo, die ik een kleine drie weken eerder naar Bergerac had ingekorfd.
De jongen had iets gezegd van, meneer, ik denk dat ie ergens tegenaan is gebotst. Dat was wel een staaltje van galgenhumor. Bovendien had de druiloor zich vergist met de nummers.

De boer klom nu toch even van zijn trekker, maar liet de motor draaien.
’Die duif is helemaal opgevreten door een roofvogel. Hij is uit de dakgoot los gespoeld bij die donderbui van gisteravond. Daar hebt u niet veel meer aan!’
Hoofdschuddend ging hij verder met zijn werk.
Opa, om een praatje verlegen, kwam uit het achterhuis en wilde weten of zulke duiven nou duur waren. Dat had hij wel eens gehoord, dat je veel met duiven kon verdienen.
‘Zijn uw koeien veel geld waard,’ vroeg ik grimmig.
“Nou’, zei hij, onbewust van mijn ergernis,’als ze veel melk geven, in het stamboek staan en op tentoonstellingen prijzen winnen, dan wel! Dan krijgen ze een strik om en geven ze je een beker.’
Ik gooide het plastic, met wat er over was van mijn Belmondo,  in de koffer van mijn auto, groette Opa en reed weg.

In de verte zag ik de Onze Lieve Vrouwentoren van Amersfoort. Die had mijn duif toch ook  moeten zien staan en toch was ie in het zicht van de haven gestrand. Was het beestje zo de kluts kwijt? Of had het iets verkeerds gedronken! In die roofvogeltheorie van de boer, geloofde ik niet erg.
Zo in gedachten verzonken verdwaalde ik vervolgens eerst nog in het mooie polderland bij Baarn. Belmondo: mooie wereld!