woensdag 13 augustus 2014

Een mens maakt wat mee







Een mens maakt wat mee

In een lange Jumbo winkelstraat ben je met een mandje en een  kartonnen doosje dat er ellendig aan toe is op weg naar de zuivel. Je neus niest. Je  frutselt  met een zakdoek. Er valt 50 eurocent. 
Oprapen is geen optie:  diep buigen en bukken lukt al jaren niet meer, bovendien zijn je armen niet lang genoeg. Mand en doos moeten eerst  neergezet. De kans dat je uit balans raakt is niet gering.  Dus laat liggen dat geld. Maar zo’n muntje kon je daarnet niet vinden toen je een winkelwagen wilde huren. 
Bij kapper B. die in een oogwenk je overtollig witte haar wegknipt en daarvoor twaalf en een halve euro rekent, heb je wisselgeld gehad. Jammer en zonde toch, zo’n muntstuk komt zo vaak van pas.

Gelukkig …tussen de vitrinekasten gaat een deur open. De man die redding  brengt. ‘Wilt U dat voor mij oprapen. Ik ben een beetjes stijf en stram , meneer.’ Dat wil hij! ‘Dank U wel’, zeg je. ‘Dank U wel’, echoot hij en vervolgt zijn weg.

Dan is daar opeens buurtbuurman Joop. Die heeft wel een winkelkar en is net terug van vakantie-weg geweest. Ja het was leuk,  het weer was goed en het eten lekker, maar Mies heeft nu buikgriep: misselijk, koorts overgeven, diarree! Dat moet stoppen.  Hij doet een greep in de vitrine met frisdranken en vruchtensappen. Iets met blauwe bessen, goed spul,  dat helpt en stopt heeft hij gehoord. Of je ook moet. ‘Nee Joop, er valt bij mij niks meer te stoppen.’ En Joop gaat verder op zijn winkeltocht.

Wanneer je even later bij de kassa de opperdoezen, spinazie, kipfilet, olijfolie, croma, melk, croissantjes en nog iets afrekent, zit daar buurmeisje W. Je herkent haar nauwelijks in haar mooie jumbo-outfit, maar ze draagt een naambordje. Het is haar echt. 
De conversatie is beperkt. Ze mag geen lange babbels met klanten. ‘Dag meneer. Dat is dan 15 euro 50.’ ‘Zal ik er  50 cent bij doen?’ ‘Dat is goed. Wilt U het bonnetje?’ ‘Ja ik ben gek op bonnetjes, die spaar ik.’ ‘Prettige dag verder, ’zegt ze. ‘Insgelijks,’ zeg je. Bij de uitgang staan de winkelwagentjes in het gelid. Buiten schijnt de zon en die krijg je voor niks.
©c.u.

maandag 4 augustus 2014

De strijd tegen het kroegleger


                                                        de pastorie uit dit verhaal

Ik was in de meidagen van 1944 gemeen soldaat in het gereformeerde kinderleger van ons dorp. Dat had zijn hoofdkwartier in de bijkeuken van Dominee Lanting, die daar zelf geen weet van had. Zijn zoons Ad en Hans zwaaiden de scepter.
Ad was een goed dictator, opvliegend, roekeloos en had altijd gelijk. Hans dromerig, kwam op een tweede plaats.
In hun bewind werden zij bijgestaan door ‘De Rode Zee’, een jongen met een sproetenkop en rood haar. Twee bijzonder dappere krijgers waren Henk en Frank. De eerste droeg om duistere oorzaken de Bijbelse bijnaam:”Reus Goliath’ en zijn broer die mank liep en soms over zijn eigenbenen struikelde,was hij toch gewoon maar Frank. Ik werd krompoot genoemd. wellicht was ik daarom wel voorbestemd tot spion.
Dit was het gereformeerde leger; klein in aantal, groot in daden.

Ons dorp had drie kerken, eigenlijk twee. Een telde niet. Die kerk was in een gewoon huis en de volgelingen hadden, wat wij noemden, een blikken dominee. Alles wat in die tijd van blik gemaakt was, speelgoed bijvoorbeeld, vonden wij niet waardevol.
Er was een café of kroeg. Het enige trefpunt waarover er geen meningsverschillen waren. Door  deze dingen werd het doen en laten van de  vechtende dorpsjeugd bepaald.

De echte tegenpartij was de jeugdige aanhang van de Hervormde pastorie. Hun generale staf zetelde in een kippenhok achter bakkerij Beekman.
De verantwoordelijken daar waren Klaas en Frits. Klaas was de sullige zoon van dominee Kuipers.  Die voerde een waar schrikbewind. De gelovige bevolking was doosbang voor hem en droeg de man dus op handen. Het was in dit perspectief gezien juist dat Klaas de Hervormde aanvoerder werd. Hij was echter een stroman, bang en krachteloos. De bakkerszoon daarentegen was slim en gevaarlijk.

De derde partij, het kroegleger, stond onder bevel van kasteleinszoon Wilhelmus. Zijn soldaten waren onbetrouwbare avonturiers, die zich van Hervormde of Gereformeerde beginselen niks aantrokken.
Mijn vader was in de ogen van de bevolking, een communist. Hij was in de jaren voor onze komst in het dorp  met een autobus vol betogers tegen een boom gebotst. 
Toen wij in het dorp kwamen wonen, werd hij triomfantelijk als de ongelukkige bestuurder herkend. Wij kwamen helemaal uit het verre Groningen en ook dat was verdacht. Al spoedig  deden de beide dominees bij monde van hun ouderlingen aanvallen op de onkerkelijkheid van het nieuwe gezin. Door dit alles was mijn positie in het dorp kwetsbaar. Door de minderheid, het gereformeerde kamp, werd ik in tijden van gevaar en onrust geaccepteerd.

De drie dorpslegers hielden zich een paar dagen bezig met het fabriceren van geweren en steekwapens. Onze geweren waren goed. Je kon er vijf meter mee schieten.
Zo’n geweer zag er zo uit: op een houten kolf hadden we een stuk rood lichtbuis gemonteerd. In de loop bevond zich een ijzeren pen. Als we die met een weckring spanden, konden we een lege geweerhuls afschieten. Door de geringe draagwijdte was het nut van zo’n geweer niet groot en in het heetst van de strijd waren we verplicht onze vuurkracht met zekere middelen te vergroten. Ze waren realistisch, wat weer ontluisterd werd doordat we:’pang, pang’ riepen.
Na wat oefendagen was ons leger tot de tanden gewapend. Nu moest er oorlog komen. De gereformeerden verlangden naar strijd en stuurde een afgezant naar de Hervormde eenheden,  die het westelijk deel van het dorp bezet hielden. Wij waren heer en meester in het Oosten. Het midden  was  van het Kroegleger.
Die verdeling had te maken met gebouwen; in het westen de Hervormde kerk, school en pastorie, in het Oosten de kerk en de pastorie van dominee Lanting.  Centraal stond het café van het kroegleger. Dat  gebied was eigenlijk niemandsland.

 Er werd vergaderd in een droge sloot achter het dorp. Vanzelfsprekend kregen we daarbij ruzie en  zo begon een jarenlange strijd.
Reeds de volgende dag opende ons leger de vijandelijkheden. Kalm wandelden we over de klinkers van de Zuiderzeestraatweg naar de bakkerswinkel en begonnen de krentenbollenploeg te provoceren met een scheldpartij. Na deze ouverture  kwam een bombardement met stenen, waarbij de ruiten van de bakkerswinkel  bijna sneuvelden.  De vijand trok zich  verward terug in de winkel. Dat was laf.
Alleen Klaas Kuipers, hun voorman, raakte buitengesloten en liep wanhopig voor de etalage heen en weer.
Plotseling kwam Frits van de bakker naar buiten met een echt geweer, Levensechte knallen weerklonken. Er voer een schok door onze rijen.  Ontzet staarden we in de loop van het onding. Toen  holden we weg, achtervolgd door de andere bakkersmannen, die inmiddels uit de winkel kwamen.
Nog lang klonken die knallen  ons in de oren. Dat het maar een windbuks was, wisten we toen  niet.

De volgende dag, na schooltijd, waren de vluchtelingen bijeen in de tuin achter de Lantingpastorie. Naast het clubhuis lagen  we in het gras.  Ad sprong in het rond met dreigende taal, hij hield een redevoering. Hij  wilde ons oppeppen. Dat lukte niet.
Frank zat aan zijn geweer te prutsen.
Henk blies tientallen parachutisten van uitgebloeide paardenbloemen, keek ze peinzend na. Hans staarde dromerig voor zich uit, een geweerkogel in de ene, een knijptang in de andere hand.
‘De Rode Zee’ stelde voor  laat in de avond  een tegenaanval te doen na de nederlaag met de windbuks.
Terwijl men elkaar nog met het Rode Zeeën- voorstel  verveelde, stond Hans op. Direct was iedereen stil. Hij had een kogel zonder kop in zijn ene hand geklemd en keek ons ondeugend lachend aan, maakte gebaar van mondje dicht en  ging in sluipgang naar een tafereeltje op enige afstand.
Daar zat op het terras in een diepe stoel de vader van de beide gereformeerde helden. Hij bereidde de zondagsdienst voor, zich niet bewust dat  een heel leger, hem gadesloeg.
Hans naderde de fauteuil omzichtig. Je zag alleen de grijze haren van de heer Lanting boven de rugleuning. Er krinkelde wat sigarenrook omhoog  je hoorde halfluid gesproken Bijbelteksten.
Hans zette de met kruit gevulde huls achter de leunstoel. Hij keek naar ons, legde een vinger op zijn lippen, haalde een doosje lucifers uit zijn zak, hield een vlammetje bij de huls.
Uit de huls kwam een metershoge steekvlam. De dominee vloog uit z’n leunstoel terwijl hij weinig herderlijke taal gebruikte. Wij smeerden hem, want we snapten, dat  een snelle aftocht verstandig was.


De strijd tegen het kroegleger een paar dagen later verliep pijnlijk. Ad  overlegde voor het gevecht eerst een bezoek aan café Van Beek om met Wilhelmus te overleggen onder welke voorwaarden er slag geleverd kon worden. Er zou met pijl en boog gevochten worden. Het gebruik van houten zwaarden en dolken was toegestaan. Om half drie zou de vijand gereed liggen.
Na bezichtiging van het toekomstige slagveld gaven de beide aanvoerders elkaar plechtig een hand.
Terug achter de Gereformeerde pastorie verteld Ad ons opgewekt dat we in oorlog waren. We gingen onmiddellijk ons krijgsgereedschap nakijken. Zwaarden, dolken, degens en speren werden scherp en puntig geslepen, bogen gespannen, de vlierdoppen van de pijlen voorzien van gebruikte kroontjespennen.

Tijdens oefendagen hadden we de uitwerking van deze scherpe pijlen terdege onder zocht. Daartoe had Henkie Okkers, op een verhoging staande, vrijwillig zijn benen laten beschieten. Bleef er een pijl rillend staan en riep Henkie ‘auw’,dan snelden wij enthousiast toe om de aard van de verwonding vast te stellen. Met het resultaat waren we meestal wel tevreden. Henk en Frank maakten de carbidbussen klaar. Hans en ik werden als verkenners naar het oorlogsgebied gezonden.
Dat was een braakliggend stuk land naast het café. Aan de kant van de straatweg was een klein bos met dicht onderhout.
Een korenveld en een boerderij met afrastering met een kippenhok begrensden de rechterkant. Aan het eind was de beek met op de oever een dicht struweel van brandnetels, en hoge doornstruiken.
Bij het café, een vernielde schuur, twee bomtrechters, met daarachter een andere schuur, het hoofdkwartier van de vijand.
Naar onze mening zou de  vijandelijke hoofdmacht zich nestelen in de bomtrechters, terwijl een kleiner deel zich verdekt zou kunnen opstellen in het kreupelhout langs de straatweg.

Die middag trok het leger in alle rust op enige afstand van een brug door de beek. Met het zwaard werden de eerste netelige vijanden neergeslagen. Daarna kon de oever bezet worden. Verkenners kropen tussen de braamstruiken naar voren en kwamen na een kwartiertje met berichten: het veld was verlaten, geen sterveling te zien, ook het bos was doorzocht. Dus toch de bomgaten! Het korenveld was uitgesloten; de boer woonde te dicht bij.
We kregen de opdracht: verspreiden en tot aan de rand van het open terrein kruipen. Gedurende een hele tijd gebeurde er niets. Onze soldaten lagen in het gras en snoepten bramen.

Toen schoot”de Rode Zee”om uit deze impasse te geraken een pijl hoog de lucht in. Een oorverdovend gehuil was het antwoord. De donderbussen van Henk en Frank knalden. Pijlen flitsten. We stormden het veld op. De vijand kroop uit zijn kuil. Zwaarden braken. Op de vuist ging men verder. De vijand werd al teruggedrongen.
Plotseling voer een schok door onze gelederen. Een waar trommelvuur van pannenscherven barstte los. Dit was niet eerlijk; het was gemeen. Zij hadden bij die kapotte schuur ammunitie in overvloed. Wat konden wij nog doen? We deinsden terug!
Toen gooide’Reus Goliath’zijn pijl en boog weg, raapte een scherf op, krijste en rende naar voren. Wij aarzelden even, toen volgden we zijn voorbeeld. De vechtpartij zette zich in alle hevigheid voort. Wij waren echter te zeer in het nadeel.! De aftocht begon.

Bij de beek tussen de brandnetels zaten Frank en ik elkaar aan te kijken. Ik had een buil  boven het linkeroog en een pijnlijke schouder. Hij had een gapende beenwond. We hadden verloren. De rest van de troep kwam aanstrompelen. Gelukkig waren er geen krijgsgevangenen.
Nog diezelfde avond  schreven wij  Wilhelmus en zijn troep een briefje. De boodschap was:’Wij spelen niet meer met jullie. Jullie zijn gemeen!’
©.c.u.          

donderdag 26 juni 2014

Een jongensboek





Het verhaal dat ik u hier nu vertel
draait om het geheim dat bestaat
en aan het licht komt veel te laat                                                                                
in ’t leven van Julian en Quentin Bell

Dat bezorgt  vooral Julian  verdriet
die teleurgesteld en ten einde raad
 vrijwillig bij het Spaanse leger gaat
want een soldaat huilt immers niet.

In die oorlog valt voor Julian het doek.
Quentin heeft beloofd ik zal schrijven
als je eerder sterft  jouw  jongensboek.

Die blije tijd van onze jeugd zal zo blijven,
ook al die idealen waarnaar je was op zoek:
Tijd die we samen hadden kan dan beklijven.



Voor een soort buurmeisje van 16 mocht ik een sonnet schrijven met een omarmend rijmschema. Ze moest op school dat gedicht schrijven en kreeg daar een lesuur de tijd en een cijfer voor.
De vraag was of ik dat even kon regelen. "Het moet over een boek gaan', zei ze. Dat had ze maar half gelezen en ik natuurlijk al helemaal niet, maar dat gaf niet meende ze.
Ze kon het gerijm dat ik dan in elkaar knutselde uit het hoofd leren envervolgens in de klas het ding weer na veel gepieker en gepeins aan het proefwerkpapier toevertrouwen en aldus geschiedde.
© c.u.





Een glas ijsthee





Hij zag de letters van het boek in rook vergaan
woorden kregen  voor hem echt geen bestaan
Wat deed hij ook met die verdraaide  dyslexie
Liever toch zag hij een aardig meisje op zijn knie.

Long boarden  op  straat was zijn lust, zijn leven
daarom moest dat als ‘t kon elke dag ook even.
Soms ging onze boy daarbij ongelukkig onderuit
dan spoot het bloed royaal zijn neus en oren uit.

Zo’n  Europees student is er soms met zijn kop niet bij
want al die woorden  staan niet zo keurig  op een  rij.
Een tentamen vreemde talen brengt hem in de war.

Zijn ma is een echte kaaskop zijn pa een Marokkaan,
aardappels en couscous kunnen zo  best samengaan
en hij drinkt zo af en toe een  glas ijsthee aan de bar.

©c.u.