Posts tonen met het label straf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label straf. Alle posts tonen

zondag 20 maart 2011

Van olievlekken, ro­zen en droge wc-brillen!




Dit wordt een verhaal van liefde, dood en verdriet. Ik heb zo het een en ander mee­gemaakt,want mijn leven als onderwijzer begon al bijna vijfentwintig jaar geleden op de openbare lagere Rem­brandtschool in Ten Boer. 
Het hoofd van die school was meester Van Putten; een ver­schrikkelijker man en een ellendiger naam heb ik wel nooit ontmoet. Van de ge­beurtenis­sen die mijn afkeer van deze burgerlijke en keu­rige man zò onmetelijk diep hebben gemaakt, wil ik u er enkele weergeven.

In 1957 reed ik op een oud brommertje dagelijks naar mijn eerste school, stalde het gammele toestel in de kleine stal­ling op de verste hoek van 't schoolplein en onderwees ver­volgens de hele dag de 48 mensen tellende vierde klas; een klas met overwegend dom­me en gelukki­ge kinderen. 
Na twee weken stond Van Putten mij 's mor­gens bij de fiet­senbergp­laats op te wachten. Hij wees zwij­gend op een paar grote olie­vlekken op de te­gels en zei daarna:" Je mag je bromfiets daar niet meer neerzetten, laat hem maar ergens op str­aat of leg er wat oud papier onder!" 
En zo kwam het dat ik vanaf die dag mijn antie­ke Avaros op oude kranten stalde. Een enkele keer ver­gat ik 't en dan wierp Van Putten tijdens 't eerste uur de deur van mijn klas open en riep ver­beten:"De brommer vlekt!" 
Ik stuurde daarop Harm Cladder of de kleine Wilfried de Boer met wat dagbladen weg om de fout te herstellen,, en mijn klas had leedver­maak.

De rozen rond het plein wa­ren een bron van andere ver­drietig­heden. De zorg om het wel en wee van deze bloemen hield Van Putten voortdurend bezig. 
Spelende kinderen mochten niet in de rozenper­ken komen en als ik plein­wacht had, moest ik erop toe­zien dat zulks ook niet gebeurde. 
Om het mij makke­lijker te maken had onze hoofdmeester een brede str­ook niemandsland bedacht tussen de stoeiende jeugd en de rozen: in een gebied van vijf tegels van de rand mocht geen kip komen.
Ik kuierde tijdens het speel­kwartier ijverig in dit lege grensgebied en stuurde ie­dereen die de 'rozenwet' van Van Putten overtrad naar binnen. Voor straf mochten die leerlingen voor de zesde klas op de grond zitten en dat was een grote schande, want de zesde genoot van zulke straffen!

Jan van Putten hield van orde en netheid. De school en de omgeving van de school moesten zijn visitekaartje zijn. Veel later heb ik eens gelezen dat sommige comman­danten van Duitse concentra­tiekampen dezelfde haast ziekelijke belangstelling voor groenvoorziening en frisse kleuren hadden.

Tijdens een van de perso­neelsvergaderingen besloot 't Hoofd dat het maar eens uit moest met dat slordige geplas in en over de toilet­ten en hij schotelde ons een verbijsterend systeem voor waarbij ordeloos gepiemel voortaan onbestaanbaar zou zijn.
In 't kort kwam het hierop neer: de jongens  ste­lden zich in een rij op voor de wc, de onderwijzer controleerde de bril en ver­volgens mocht de eerste  lee­rling naar binnen; als ie klaar was, moest ie naast de leerkracht gaan staan en even wachten tot de volgende gegadigde na een vluchtige controle met luide stem kwam melden:" Bril droog, me­neer!" 
Met deze omslachtige procedure werden alle toi­letkinderen afgewerkt. We waren er meestal de hele pauze mee bezig en van kof­fie drin­ken kwam niks. 
Door­gaans kon ik groen licht geven voor het wach­tende kind, maar een enkele keer klonk de kreet:" Meester hij hep'r naast gezeikt!" 
Dan volgde de een of andere vre­selijke straf.
"Gelukkig," zul je zeg­gen,"is dit allemaal lang geleden en leven we in bete­re tijden." Maar Van Putten leeft nog; de Van Puttens gaan niet dood en zij hebben hun eigen ordelijke en nette leven, eeuwig en altijd.

c.u.                                                                                                     

dinsdag 15 maart 2011

Een wonderbare visvangst


Het was in een tijd dat onderwij­zers niet meer mochten slaan; de eeuw van 't kind was be­gonnen. Ik zat voor m'n vierde klas en keek dic­teeschriften na. De kin­deren rekenden; er heerste een ijverige rust. Achter het gan­graam dreef Van Put­ten, ons schoolhoofd, voor­bij. Hans Dijkmans peu­terde in beide neusgaten en Wil­fried speelde met de stofjes van 't zon­licht, maar voor het overige be­wezen geritsel van papier en gekras van pennen dat er grondig ge­werkt werd.
    Een knetterend 'godver­domme' klonk, ik keek op en zag hoe Adri Bintjes met een haast achteloos gebaar z'n pen de lucht in wierp. Trillend bleef de kroontjes­pen in het plafond han­gen.Ik liep naar de achterste bank waar Adri knorrig mijn komst afwachtte en zei:’ Je vloekte, jon­gen, waarom doe je zoiets?’
‘ De sommen wil­len niet,’ bromde de op­stan­deling en veegde om z'n woord kracht bij te zet­ten boek en schrift van de bank. Ik moest nu boos wor­den: dit kon en mocht na­tuurlijk niet!
‘ Adri, ver­laat 't lokaal en ga naar meester Van Put­ten.’ - alleen in heel moeilijke gevallen mocht je een leerling naar 't school­hoofd stu­ren en dit was een lastige kwestie, dacht ik. –
Adri negeerde me. Ik her­haalde m'n verzoek en mijn handen jeukten. Ik had a gezegd en kon niet terug. 

Het reken­wonder bleef zit­ten, ik pakte hem bij een schouder en hij greep zich meteen vast aan de stij­len van de school­bank. Kalm pro­beer­de ik ver­geefs zijn han­den los te maken en daarop begon ik te trekken en te rukken. De bank schoof iets in de rich­ting van de deur van de klas; de kinderen rekenden al lang niet meer!
Na een energieke en enerve­rende wor­stelpartij, waarbij ik mezelf steeds voorhield dat ik er niet op los mocht timmeren, kreeg ik Adri ein­delijk de gang op en de klas uit. Toen begon de ellende pas werkelijk: daar waren de kapstokhaken, al of niet met jassen! Een half uur was ik wel doende om m'n tegen­stan­der iede­re keer van die ha­ken los te prut­sen. Hijgend en zwijgend bereikten wij de trap en dat was er een met spijlen.
    
 Uit de verte klonk aangroeiend rumoer uit de vierde klas en nooit heb ik mij vreemder op een trap gedragen.Tenslotte kon ik bij het Hoofd de deur open­stoten en Adri naar bin­nen duwen met de woorden:’ Hier, meneer Van Putten, is Adri Bint­jes! Ik heb 'm moe­ten brengen; hij vertikte het naar U toe te gaan.’
Zonder enige aar­zeling gaf onze hoofdmeester Adri een trap onder z'n kont, waar­door hij aan de andere kant van 't lokaal tegen de cen­trale verwarming tot stil­stand kwam.M'n col­lega knik­te me toe, sloot de deur en daar stond ik. Had ik daar­voor al die moeite gedaan, had ik daar­voor niet gesla­gen!
Van Putten trapte terloops en hard alsof 't de gewoonste zaak van de wereld was.   

In een van de brede sloten achter Ten Boer ging ik eni­ge tijd later met Adri vis­sen. Hij was praktisch en had de lei­ding, een hengel had ie niet nodig. Met een schop damde hij een gedeelte van een sloot af, maakte het water troebel waarna de vis versuft aan de opper­vlakte kwam drijven en zo werd het een wonder­bare vis­vangst
Sommige leerlingen zijn on­vergetelijk en Adri Bintjes was een van hen. Ja, en naar Jan van Putten bracht ik in later jaren geen kinderen meer.
©c.u.