Posts tonen met het label onderwijzers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderwijzers. Alle posts tonen

donderdag 15 maart 2012

Appels en ijs

appels voor de dorst en harde noten om te kraken



Het vroor dat het kraakte en over Ten Boer was met de rijp een grote kalmte geko­men. Die rust was mij  ech­ter niet gegund, in de vroe­ge les­uren werd ik be­stookt met vragen:’ Meester, mag ik water drinken, mees­ter, mijn potlood heeft een gebroken punt, mag ik naar de wc, heeft u misschien inkt en mijn schrift is vol.’ Je werd er doodziek van.
Voor de zoveelste keer ging er een vinger omhoog. Ik keek Renske vragend aan.
‘ Meester, mijn pen schrijft dik, mag ik een andere?’
‘Nee Renske, over drie weken krijg je een nieu­we.’
‘Maar hoe moet dat dan, Meester!’
‘ Hou hem maar een even bo­ven de verwarming.’ Een en­kele leerling keek verwon­derd op van zijn rekensom­men: pen boven de verwar­ming, wat was dat nu voor nieuws!

Renske slofte naar de ven­sterbank en hield haar kroo­ntjespen boven de gas­ka­chel.
‘ Moet dat lang, m­ees­ter?’
‘Ja,’ zei ik. Laat dat kind daar maar een poos­je blijven, dacht ik. Als ik gezegd had dat ze met d'r pen op het plein of in de gang moest gaan staan,had ze dat ook gedaan, denk ik. Letty en Adri fluis­ter­den en gie­chel­den. Renske had geen grote uitvin­dingen op haar naam staan. De kin­deren wer­kten nu met overga­ve aan hun  moe­ilijke staart­delin­gen. Ze moesten op nul uit­komen, als je het goed deed. Pennen krasten, tongen sta­ken tus­sen lippen, zuch­ten klonken en af en toe werd er ge­fluisterd. Dat mocht na­tuur­lijk niet.

Ik keek uit het raam. Naast de school stond het huis van Van Putten en daarnaast la­gen de boomgaard en de moes­tuin van de mees­ter. Van de vele fruitbomen hadden de meeste hun beste tijd gehad en er groeide zoveel rabar­ber dat het hele dorp er moeiteloos en dagenlang van had kunnen eten. Dat gebeur­de niet: Van Putten was niet vrijgevig. Hij kon bovendien niet tuinieren. De tuin was een puinhoop, vonden de do­rps ­men­sen. Maar nu regeer­de de winter er met rijp en lichte sneeuwval.
Een boom stond er in Meesters appel­hof, die wei­nig, maar zeer bijzondere vruchten gaf. In de voorbije zomer waren dat er slechts drie geweest die verleide­lijk  aan een lage tak boven het tuinpad hin­gen. Vooral de grootste ap­pel was van een ongeken­de glans en scho­onheid en een jongen uit mijn klas had zich vergist. Zijn hand had geplukt voor hij besefte wat er gebeurde. Van Putten had dat vanuit zijn woonkamer gezien.
De volgende dag kwam hij met een mand vol val- appels, die waren er in ove­rvloed, op school In alle drie lokalen trakteerde hij de kinderen op zure ap­pels. Alleen Dirkjan Porring niet, die werd overgesla­gen met de woorden:’ Dirk wil geen ap­pel,die zorgt wel voor zichzelf.’ En Dirk zat daar in mijn  klas met een rooie kop tussen zijn etende klasgenoten.

De deur van het lokaal ging open en daar stond nu die­zelfde Dirkjan. Hij was te laat en had al een achter­stand van veel staartdelin­gen. Naast hem stond onze hoofdmeester en die zei:’ Meester, dit is Dirk, hij is te laat.’
‘Dat zie ik,’ zei ik.
‘Hij zegt dat hij door het ijs gezakt is, maar z'n kleren zijn droog. U moet hem vanmiddag nahou­den en straf geven. Laat hem maar flink wat strafregels maken. Hij mag niet door het ijs zakken.’
Ik knikte; ik zou wel zien wat ik met Dir­kjan deed.
‘Wat moet dat kind daar bij die gaska­chel,’ vroeg Van Putten plo­tseling scherp. ‘Wat moet jij daar, meisje?’
‘ Meester  mijn pen schrijft dik en ik moest hier staan.’
Jan van Putten schudde z'n kop, keek ge­prikkeld, duwde Dirkjan het lo­kaal in en verliet ons.
‘ Kom maar,  Ren­ske,’ zei i­k, ’­hier heb ik nog een d­oos­je met gebruikte pennen, zoek daar de beste uit, dan kun je voor­lopig ver­der.’

De middagpauze en de middag­lessen verliepen nor­maal; er gebeur­de niets zoals op zo­veel schoo­ldagen. Uit het lokaal van Juf Mulder hoorde je de zan­gles. Jufs stem klonk boven de kinder­stem­men. Op die stem van Mulder kon ik soms verliefd zijn. Ze had een donkere alt die af en toe oversloeg, als de ont­roering of iets anders haar teveel wer­den. Hilde Mulder had al een vriend en ik mocht alleen uit de verte naar die stem ver­langen Op het plein en in de gang keek in ongemerkt, dacht ik, in die wat schele bruine ogen. ‘Die winter is vergan­gen, ik zie des meis ver­tuut, Ik zie die loover­kens hangen...’Dat lied was veel te moeilijk voor haar kinde­ren en het sloeg nergens op want het winterde in heel Ten Boer verdomd hard.
Om vier uur,na het straf­werkuur, liep ik met de fiets aan de hand met Dirk­jan naar huis. We kwamen voorbij de dorpsvijver.
‘ Waar ben je door het ijs gezakt, Dirk­jan,’ vroeg ik.
‘ Daar, Mee­ster, ’zei Hij en stak zijn wijsvinger in de rich­ting van de ijs­vloer.
‘ Ik zie geen gat jon­gen.’
 ‘Daar, Meester!’ Hij gooide een steen op het ijs die naar het midden van de vij­ver schoof.
‘ Daar hele­maal. ­‘vr­oeg ik.
‘ Nee Mees­ter, daar niet, wacht ik zal het aan­wijzen.’ Hij liep het ijs op, bleef na een paar passen staan en zei naar beneden wijzend:’ Hier was­ 't, Mees­ter.’
Toen begon het ijs te kraken en ging Dirk­jan door het ijs. Hij stond plotse­ling tot z'n middel in het water en keek hulpeloos naar mij. Hoe kon hij in hemels­naam thuis of waar dan ook gaan uitleggen dat hij twee­maal op dezelfde plaats door het ijs gegaan was.
©.c.u.

donderdag 9 februari 2012

De hunebedbouwers





Na een jaar vol frustratie vertelde  Van Putten mij dat  er aan onze samenwerking met ingang van het nieuwe schooljaar een eind kwam.
Ik moest maar ergens anders solliciteren en ik hoefde niet op zijn steun te rekenen. Hij zou slechte inlichtingen aan  andere Hoofden van scholen geven. 
Het tekort aan onderwijzers was echter zo groot dat ik ondanks die Van Putten pesterijen, toch een baan vond In Kennemerland   
Na 3 jaar kon ik Hoofdmeester worden op een piepklein schooltje ergens in de gemeente Eemsmond. Een kans die ik met beide handen aangreep

Als je ’t leven aan papier toevertrouwt, wordt het fictie, Min of meer, want de herinnering en het geheugen zijn gebrekkig. 
Klaas Bult en Harm Kladder zie ik overigens nog goed voor me. Ze zijn er niet meer. Dat is zeker. Eens zaten ze in mijn les en voerden gewillig alle idiote opdrachten uit die ik gaf wanneer we het met rekenen, taal en wereldkunde even hadden gehad.

Ik was dus hoofd van een schooltje met 23 kinderen, eigenlijk meer een gezin en afgezien van de handwerkjuf en de dominee die af en toe langskwamen, was ik ook het enige personeelslid. Maar ik was baas in eigen school en dat is ook wat waard.
Met vallen en opstaan had ik de nodige ervaring opgedaan in de buurt Ten Boer met  die vermaledijde Meester van Putten en later in Beverwijk onder leiding van een rustige  meneer Snauw die stoïcijns toekeek bij mijn pedagogisch en didactisch gestuntel.
Nu werkte ik dus voor het eerst als bovenbaas in mijn eigen schooltje dat niet groter was dan een woonhuis.

Klaas Bult was een jongen  met donker sluik haar en bruine ogen waarmee hij vragend de wereld inkeek. Hij lachte daarbij soms wat dom en naïef .
Zijn vader stotterde op een aparte manier. Kwam  vader Bult op school voor overleg dan leek ’t of hij jacht maakte op de woorden en begon hij steeds luider te praten.   
Klaas had dat specifieke gestotter in een milde vorm overgenomen. Als hij een nieuwe taak kreeg gehoorzaamde hij onvoorwaardelijk, zei soms wel:’Me…Meester  Mu Mu Mulder zal wel weten, wat Mee….Meester Mmmmmmulderr doet!’

Harm C.  had blond haar; zijn ogen waren watergrijs. Hij hield zich vaak afzijdig van de rest van de schoolfamilie, praatte zacht en voorzichtig. Hij wilde wel details weten van de werkopdracht, stelde vragen. Hij knikte veel en op zijn gezicht kon je niet traceren wat hij van Meesters plan dacht. 
Zijn vader was timmerman. Kladder  was een aparte. Hij had voor het dorp een unieke hobby:zeilen, en hij deed mee aan wedstrijden. 
Bij de tekenles produceerde hij dan ook  aan de lopende band boten.
In mijn lokaal stond een groot  voormalig zee – aquarium; een erfenis van mijn voorganger. Hij liet de mensen uit het dorp met een tankwagen zout water uit de Waddenzee halen.
Bij mij werd het zoetwater. Het was een immense bak,De twee kinderen uit de vierde klas konden er met gemak  samen in baden. Er bivakkeerden echter stekelbaarsjes, salamanders, rietvoorns, modderkruipers en twee palingen in.
 
Harm en Klaas zorgden voor dit aquarium. Als ze met opgestoken vinger aankondigden dat de staartdelingen, de spelling en het dictee af waren, stuurde ik ze de klas uit, het dorp in, met de opdracht, regenwormen, rupsjes, vliegen, kortom alle soorten kriebelbeesten als visvoer te verschalken. 
Eenmaal kwam Klaas terug met een pijnlijk, bezorgd gezicht. Hij was door spinnen gebeten en wou weten of dat giftig, dus dodelijk kon zijn.
‘Zo bedwelmen ze vliegen Klaas, wees maar gerust. Je bent immers geen vlieg!’ Door de jacht van Bult en Kladder kwam de aquariumbevolking niks tekort.

In mijn 1- mansschool werkten de kinderen van de 1e t/m de 6e klas individueel of in kleine groepjes. Ze waren vlijtig en begonnen ’s morgens zonder veel te vragen met hun schoolwerk. Kwam ik een enkele keer te laat, dan waren zij al aan ’t werk. Door dit alles bleef er in de tussentijd ruimte voor kleine geschiedenis- of aardrijkskunde – projektjes. 
Zo bouwden we een hunebed en een Germaanse boerderij. Onder  aanvoering van Harm en Klaas verzamelden anderen de bouwmaterialen. 
Op de landweg naar het naburige dorp lag geschikt steenslag. Bij een boerderij werd hooi en stro aangeschaft. De meisjes gingen takken halen voor miniatuurbomen. Zo was  bij tussenpozen iedereen betrokken bij een soort idyllische en vreedzame geschiedenisles.

Na drie jaar verliet ik mijn lilliputterschooltje uit verlangen naar een grotere onderwijscarrière.  Het wel en wee van dorp, school, ouders en kinderen bereikte mij maar spaarzaam en onvolledig. 
Een jaar of acht geleden  vertelde iemand me dat Klaas verongelukt was. 
Ergens in het Noorden in  het besneeuwde vlakke land, reed hij met zijn vader. De auto slipte.  
Klaas werd uit de wagen geslingerd en kwam in een bevroren sloot terecht.   
En via  een mailtje moest ik laatst van een van de meisjes, uit dat   knusse schoolgezinnetje van toen, vernemen dat  Harm al jaren eerder bij een spoorwegovergang uit het leven was gestapt.
©.c.u.

dinsdag 7 februari 2012

De brommer vlekt!


Uiteindelijk slaagde Chris Mulder met een jaar vertraging  voor het  begeerde diploma dat hem de bevoegdheid gaf als onderwijzer carrière te maken. Het was, terwijl hij er in de docentenkamer van de Scholengemeenschap, waar hij nu  in zijn laatste jaar werkte,  aan terug dacht,  een verhaal van liefde, dood en verdriet geweest.   
Hij, Mulder had zo het een en ander mee­gemaakt, want zijn leven als  piepjonge onderwijzer begon al bijna veertig jaar geleden op een openbare lagere school in de streek rond Ten Boer. Het  gebouw was een fantasieloze blokkendoos en het hoofd van die school was  ene meester Van Putten; een ver­schrikkelijker man en een ellendiger naam had hij later niet vaak meer ontmoet. 
Van de ge­beurtenis­sen die zijn afkeer van deze burgerlijke en keu­rige man zó onmetelijk diep hadden gemaakt, waren een paar hem  altijd bijgebleven.

In 1957 reed  Mulder, haast nog adolescent, op een oud brommertje  dus dagelijks vanuit Haren bij Groningen naar die eerste school, stalde het gammele toestel in de kleine stal­ling op de verste hoek van 't schoolplein en onderwees ver­volgens de hele dag de 38 mini-mensen tellende vierde klas; een klas met overwegend dom­me en gelukki­ge kinderen. 
Na twee weken stond Van Putten  hem  's mor­gens bij de fietsen bergplaats op te wachten. De man wees zwij­gend op een paar grote olie­vlekken op de te­gels en zei daarna:" Je mag je bromfiets daar niet meer neerzetten, laat hem maar ergens op str­aat of leg er wat oud papier onder!"

 En zo kwam het dat vanaf die dag de antie­ke Solex bromfiets op oude kranten  gestald werd. Een enkele keer ver­gat hij 't en dan wierp Van Putten tijdens 't eerste uur de deur van de klas open en riep ver­beten: "De brommer vlekt!"   
Harm Cladder of de kleine Wilfried de Boer kregen dan van hun verbouwereerde meester opdracht met wat dagbladen de fout te herstellen  en  de klas had leedver­maak.

De rozen rond het plein wa­ren een bron van andere ver­drietig­heden. De zorg om het wel en wee van deze bloemen hield Van Putten voortdurend bezig. 
Spelende kinderen mochten niet in de rozenper­ken komen en als je plein wacht had, moest je erop toe­zien dat zulks ook niet gebeurde. 
Om het  zijn personeel  makke­lijker te maken had  de  Hoofdmeester een brede str­ook niemandsland bedacht tussen de stoeiende jeugd en de rozen: in een gebied van vijf tegels van de rand mocht geen kip komen. 
Chris kuierde tijdens het speel­kwartier ijverig   en plichtsgetrouw in dit lege grensgebied en stuurde ie­dereen die de 'rozenwet' van Van Putten overtrad naar binnen. Voor straf mochten die leerlingen voor de zesde klas op de grond zitten en dat was een grote schande, want de zesde genoot van zulke straffen!


Jan van Putten hield van orde en netheid. De school en de omgeving van de school moesten zijn visitekaartje zijn.

Terwijl hij een slok van zijn pauze-koffie nam bedacht Mulder ergens gelezen te hebben dat sommige comman­danten van Duitse concentra­tiekampen dezelfde haast ziekelijke belangstelling voor groenvoorziening en frisse kleuren hadden.

Maar er waren meer verrassende orderegels geweest. Tijdens een van de spaarzame perso­neelsvergaderingen besloot 't Hoofd dat het maar eens uit moest zijn met dat slordige geplas in en over de toilet­ten en hij schotelde  zijn  meesters  een verbijsterend systeem voor waarbij ordeloos gepiemel  voortaan onbestaanbaar zou zijn.
In 't kort kwam het hierop neer: de jongens  ste­lden zich in een rij op voor de wc, de onderwijzer controleerde de bril en ver­volgens mocht de eerste  lee­rling naar binnen; als die klaar was, moest ie naast de leerkracht gaan staan en even wachten tot de volgende gegadigde na een vluchtige controle met luide stem kwam melden:" Bril droog, me­neer!"
Met deze omslachtige procedure werden alle toilet kinderen afgewerkt. Het duurde meestal de hele pauze en van kof­fie drin­ken kwam niks. 
Door­gaans kon je groen licht geven voor het wach­tende kind, maar een enkele keer klonk de kreet:" Meester hij heb er naast gezeikt!" 
Dan  moest de boel schoon en volgde de een of andere vre­selijke straf. Het spreekt vanzelf dat Van Puttens schooljuffen van dit soort corvee verschoond bleven

"Gelukkig," kon je zeg­gen," was dit vroeger, allemaal lang geleden en leefden we  nu in bete­re tijden."
Maar Van Putten leefde nog; de Van Puttens gingen niet dood en zij hadden hun eigen ordelijke en nette leven, eeuwig en altijd.   
Strikt genomen was rector Helman zijn huidige en laatste onderwijsbaas  uit hetzelfde hout gesneden. Die had hem als bijna 65-jarige nog maar weer  fijn ingeroosterd bij de surveillance in de grote pauze, met de gedachte misschien dat wat beweging en een frisse neus voor die Mulder geen kwaad konden
c.u.

( in een ander setting en stijl was deze episode ook al eerder te lezen. Hier maakt het verhaal deel uit van de slotafleveringen in de serie: Vanuit de Verste Verte ofwel de zgn.Ibbeltjereeks )
zie voor overeenkomsten verschillen bij de volgende link   http://binnenpark.blogspot.com/2011/03/van-olievlekken-rozen-en-droge-wc.html

zondag 20 maart 2011

Van olievlekken, ro­zen en droge wc-brillen!




Dit wordt een verhaal van liefde, dood en verdriet. Ik heb zo het een en ander mee­gemaakt,want mijn leven als onderwijzer begon al bijna vijfentwintig jaar geleden op de openbare lagere Rem­brandtschool in Ten Boer. 
Het hoofd van die school was meester Van Putten; een ver­schrikkelijker man en een ellendiger naam heb ik wel nooit ontmoet. Van de ge­beurtenis­sen die mijn afkeer van deze burgerlijke en keu­rige man zò onmetelijk diep hebben gemaakt, wil ik u er enkele weergeven.

In 1957 reed ik op een oud brommertje dagelijks naar mijn eerste school, stalde het gammele toestel in de kleine stal­ling op de verste hoek van 't schoolplein en onderwees ver­volgens de hele dag de 48 mensen tellende vierde klas; een klas met overwegend dom­me en gelukki­ge kinderen. 
Na twee weken stond Van Putten mij 's mor­gens bij de fiet­senbergp­laats op te wachten. Hij wees zwij­gend op een paar grote olie­vlekken op de te­gels en zei daarna:" Je mag je bromfiets daar niet meer neerzetten, laat hem maar ergens op str­aat of leg er wat oud papier onder!" 
En zo kwam het dat ik vanaf die dag mijn antie­ke Avaros op oude kranten stalde. Een enkele keer ver­gat ik 't en dan wierp Van Putten tijdens 't eerste uur de deur van mijn klas open en riep ver­beten:"De brommer vlekt!" 
Ik stuurde daarop Harm Cladder of de kleine Wilfried de Boer met wat dagbladen weg om de fout te herstellen,, en mijn klas had leedver­maak.

De rozen rond het plein wa­ren een bron van andere ver­drietig­heden. De zorg om het wel en wee van deze bloemen hield Van Putten voortdurend bezig. 
Spelende kinderen mochten niet in de rozenper­ken komen en als ik plein­wacht had, moest ik erop toe­zien dat zulks ook niet gebeurde. 
Om het mij makke­lijker te maken had onze hoofdmeester een brede str­ook niemandsland bedacht tussen de stoeiende jeugd en de rozen: in een gebied van vijf tegels van de rand mocht geen kip komen.
Ik kuierde tijdens het speel­kwartier ijverig in dit lege grensgebied en stuurde ie­dereen die de 'rozenwet' van Van Putten overtrad naar binnen. Voor straf mochten die leerlingen voor de zesde klas op de grond zitten en dat was een grote schande, want de zesde genoot van zulke straffen!

Jan van Putten hield van orde en netheid. De school en de omgeving van de school moesten zijn visitekaartje zijn. Veel later heb ik eens gelezen dat sommige comman­danten van Duitse concentra­tiekampen dezelfde haast ziekelijke belangstelling voor groenvoorziening en frisse kleuren hadden.

Tijdens een van de perso­neelsvergaderingen besloot 't Hoofd dat het maar eens uit moest met dat slordige geplas in en over de toilet­ten en hij schotelde ons een verbijsterend systeem voor waarbij ordeloos gepiemel voortaan onbestaanbaar zou zijn.
In 't kort kwam het hierop neer: de jongens  ste­lden zich in een rij op voor de wc, de onderwijzer controleerde de bril en ver­volgens mocht de eerste  lee­rling naar binnen; als ie klaar was, moest ie naast de leerkracht gaan staan en even wachten tot de volgende gegadigde na een vluchtige controle met luide stem kwam melden:" Bril droog, me­neer!" 
Met deze omslachtige procedure werden alle toi­letkinderen afgewerkt. We waren er meestal de hele pauze mee bezig en van kof­fie drin­ken kwam niks. 
Door­gaans kon ik groen licht geven voor het wach­tende kind, maar een enkele keer klonk de kreet:" Meester hij hep'r naast gezeikt!" 
Dan volgde de een of andere vre­selijke straf.
"Gelukkig," zul je zeg­gen,"is dit allemaal lang geleden en leven we in bete­re tijden." Maar Van Putten leeft nog; de Van Puttens gaan niet dood en zij hebben hun eigen ordelijke en nette leven, eeuwig en altijd.

c.u.                                                                                                     

dinsdag 15 maart 2011

Een wonderbare visvangst


Het was in een tijd dat onderwij­zers niet meer mochten slaan; de eeuw van 't kind was be­gonnen. Ik zat voor m'n vierde klas en keek dic­teeschriften na. De kin­deren rekenden; er heerste een ijverige rust. Achter het gan­graam dreef Van Put­ten, ons schoolhoofd, voor­bij. Hans Dijkmans peu­terde in beide neusgaten en Wil­fried speelde met de stofjes van 't zon­licht, maar voor het overige be­wezen geritsel van papier en gekras van pennen dat er grondig ge­werkt werd.
    Een knetterend 'godver­domme' klonk, ik keek op en zag hoe Adri Bintjes met een haast achteloos gebaar z'n pen de lucht in wierp. Trillend bleef de kroontjes­pen in het plafond han­gen.Ik liep naar de achterste bank waar Adri knorrig mijn komst afwachtte en zei:’ Je vloekte, jon­gen, waarom doe je zoiets?’
‘ De sommen wil­len niet,’ bromde de op­stan­deling en veegde om z'n woord kracht bij te zet­ten boek en schrift van de bank. Ik moest nu boos wor­den: dit kon en mocht na­tuurlijk niet!
‘ Adri, ver­laat 't lokaal en ga naar meester Van Put­ten.’ - alleen in heel moeilijke gevallen mocht je een leerling naar 't school­hoofd stu­ren en dit was een lastige kwestie, dacht ik. –
Adri negeerde me. Ik her­haalde m'n verzoek en mijn handen jeukten. Ik had a gezegd en kon niet terug. 

Het reken­wonder bleef zit­ten, ik pakte hem bij een schouder en hij greep zich meteen vast aan de stij­len van de school­bank. Kalm pro­beer­de ik ver­geefs zijn han­den los te maken en daarop begon ik te trekken en te rukken. De bank schoof iets in de rich­ting van de deur van de klas; de kinderen rekenden al lang niet meer!
Na een energieke en enerve­rende wor­stelpartij, waarbij ik mezelf steeds voorhield dat ik er niet op los mocht timmeren, kreeg ik Adri ein­delijk de gang op en de klas uit. Toen begon de ellende pas werkelijk: daar waren de kapstokhaken, al of niet met jassen! Een half uur was ik wel doende om m'n tegen­stan­der iede­re keer van die ha­ken los te prut­sen. Hijgend en zwijgend bereikten wij de trap en dat was er een met spijlen.
    
 Uit de verte klonk aangroeiend rumoer uit de vierde klas en nooit heb ik mij vreemder op een trap gedragen.Tenslotte kon ik bij het Hoofd de deur open­stoten en Adri naar bin­nen duwen met de woorden:’ Hier, meneer Van Putten, is Adri Bint­jes! Ik heb 'm moe­ten brengen; hij vertikte het naar U toe te gaan.’
Zonder enige aar­zeling gaf onze hoofdmeester Adri een trap onder z'n kont, waar­door hij aan de andere kant van 't lokaal tegen de cen­trale verwarming tot stil­stand kwam.M'n col­lega knik­te me toe, sloot de deur en daar stond ik. Had ik daar­voor al die moeite gedaan, had ik daar­voor niet gesla­gen!
Van Putten trapte terloops en hard alsof 't de gewoonste zaak van de wereld was.   

In een van de brede sloten achter Ten Boer ging ik eni­ge tijd later met Adri vis­sen. Hij was praktisch en had de lei­ding, een hengel had ie niet nodig. Met een schop damde hij een gedeelte van een sloot af, maakte het water troebel waarna de vis versuft aan de opper­vlakte kwam drijven en zo werd het een wonder­bare vis­vangst
Sommige leerlingen zijn on­vergetelijk en Adri Bintjes was een van hen. Ja, en naar Jan van Putten bracht ik in later jaren geen kinderen meer.
©c.u.