Posts tonen met het label wanorde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wanorde. Alle posts tonen

vrijdag 13 september 2013

Havo- addergebroed




Het regende mateloos. Mulder schreef op het stoffige groene schoolbord. Hij was met gedichten bezig. Soms trakteerde hij de kinderen op poëzie. Ze moesten de mooie verzen die hij voorlas overschrijven in hun schrift of multocahier.  
 Ze zagen het nut daar helemaal niet van in. Dat was niet zonder risico. Hij stond immers met z’n rug naar de leerlingen. 

Die konden vlug allerlei dingen uitspoken. Ze brachten bijvoorbeeld hun geschut in stelling en schoten met minuscule stukjes papier. 
Door het lege omhulsel van een balpen bliezen ze zo vieze kleverige propjes in zijn richting. Leerlingen stopten een stuk kranten- of wc-papier in hun mond en herkauwden dat tot er een plakkerige substantie ontstond. Ze rolden er balletjes van en propten die in hun blaaspijp, namen hun leraar onder vuur.
Vandaag getrooste hij zich de moeite die mooie beginregels  van Vestdijks eerste sonnet uit ‘Madonna met de Valken’ op ’t bord  te schrijven………

De wilde zwier die gij de worp verleende,
Een onbesuisd en maagdelijk gebaar,
Verwees mij naar dezelfde heem’len waar
De valk, aanvallend in zich in klim vereende….

Toen vlogen hem links rechts  die speekselpapier projectielen toch weer om de oren. De propjes hechtten zich aan het schoolbord tussen en naast de poëzie van de dichter. Toen Mulder zich snel omdraaide, zag hij in z’n klas de neutrale gezichten van Sandra, Geert, Jurgen en Leonie die net als de rest van dat havo-addergebroed ijverig de zinnen op het bord in schrift of multomap  overnamen  Een enkeling sabbelde op  pen  of potlood en staarde nadenkend naar het plafond. 

Dit ritueel herhaalde zich bij de volgende strofen die  hij in krijt noteerde. Bij een andere gelegenheid toen hij iets met bordkrijt schreef, herinnerde hij zich een leraar wiskunde van de kweekschool in Groningen. Die man zag in de spiegeling van raam en glas wat er zich achter zijn rug afspeelde en greep met bergen strafwerk genadeloos in.. Mulder keek toen eens terloops opzij naar het raampje naast de toegangsdeur van het lokaal en betrapte Marieke Sprot op heterdaad, wees daarna naar Jurgen Visser en zei: ‘en jij mag straks ook even nablijven, ja jij!’

De kleine stukjes papier die aan het bord kleefden, werden snel hard. Misschien waren het ook stukjes papier-maché.  Bij Knutsel zijn collega Handvaardigheid hadden ze poppen en narrenkoppen moeten maken van  een papje van krantenpapier, lijm en water. Zo waren ze ongewild op het idee gebracht dat je met dat spul bij andere leraren een geintje kon uithalen.  
 Nog een enkele gebeurde maal het dat hij de leerlingen zo het gevoel gaf dat hij ogen in zijn rug had en een paar weken later legde hij in een goedmoedige bui aan zijn klas uit hoe het kwam dat hij  hen elke keer snapte als hij zich omgekeerd had.  Ze vonden dat wel sportief. 

Het schieten met kleffe kogeltje hield op. Misschien zochten ze nu naar andere meer geraffineerde methoden om een de man voor de klas te plagen of voor schut te zetten.  Hoe dan ook. Af en toe raakten de leerlingen toch onder de indruk wanneer hun leraar weer eens zijn poëzie –stokpaardje bereed. 
Dat gebeurde vooral als hij uit het blote hoofd een gedicht opzei, declameerde  voordroeg , zoals: ‘De Schepen’  van Jan van Nijlen, ‘ De Dieren’, van Aart van der Leeuw of ‘ Het Lied der achttien Doden’  van Jan Campert:

‘ Een cel is maar twee meter lang
En nauw twee meter breed
Wel kleiner is het stuk grond
dat ik nu nog niet weet
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien
Wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.’

Dan volgden er nog zeven coupletten en de klas luisterde verbaasd naar die ratelende docent. Hoe was ’t in godsnaam mogelijk dat die man  dat allemaal nog uit zijn bolle kop wist. En ze waren helemaal met stomheid geslagen als hij die drie lange gedichten achter elkaar ten gehore bracht. Ze waren  murw want die gedichten waren  verhalend lang, hadden veel strofen.
Mulder vertelde ze dan dat hij die verzen vroeger  voor school  van buiten had moeten leren en dat hij en zijn klasgenoten vroeger om de beurt voor de klas moesten verschijnen om zo’n gedicht heel mooi en met gevoel voor te dragen en zijn havo- studenten snapten niet dat hij na zo’n lange tijd dat allemaal nog wist.. 

Die man was een wonder , al heel oud, want voor WOII al geboren, had een ijzeren geheugen en ogen op steeltjes, Hij zag immers alles wat er in de klas gebeurde.
Daar kwam ook nog bij dat die meneer Mulder uit eigen werk voordroeg. Dat had tot gevolg dat er meisjes na afloop van de les naar hem toe gingen met de vraag of hij iets in hun poëziealbum, versjesschrift of vrienden boekje schrijven wilde.
Voor een van die meiden, ’t kon Sandra  of Leonie geweest zijn, krabbelde hij iets over haar ‘ Gouden haar’ neer dat ze hebben zou. Dat was pesterij van een hogerplan, immers beide dames hadden pikzwart haar.

‘ Ik zou met jou een appel willen schillen
en zitten op een zonnebankje in het woud
kijken naar je haar van goud
dat je niet hebt, ik weet het wel
maar bij sprookjes zijn die dingen zeer in tel
je zou me zoenen met het risico
 dat ik een prins en jij een kikker was
maar zoiets merk je doorgaans later pas.’

Niet altijd besteedde hij veel tijd aan zo’n schrijfverzoek, vaak waren die versjes niet lang, deed hij niet zijn best en knutselde bij gauw een limerick of puntdicht in elkaar.
©c.u.
Van mijn feuilleton: Uit de Verste Verte

zaterdag 19 februari 2011

Opeens krijg je wat naar je hoofd



Rumoer in vier mavo

Een boek en een multocahier vlogen  rakelings langs mijn kop, knalden tegen het bord en vielen op de grond achter mij.
Ciska krijste:’ en nou ben ik het zat.’
Ze gooide  haar tafel en stoel om en stoof het lokaal uit. De deur knalde.
Twee andere meiden stonden op, riepen;’ dan gaan wij ook!’
Opnieuw werd de deur ruw dicht gesmeten.
Het was een donderdagmiddag, het laatste uur. De rest van de leerlingen keek even op, maar werkte verder.
De projectielen die Ciska op mij afgevuurd had,  bleven liggen
We waren met een tekstverklaring bezig; een eindexamen opgave. De leerlingen moesten voorbereid worden op het felbegeerde mavo diploma. Leuk vonden ze dat niet’ Ze hadden gezeurd en tegengestribbeld.
‘ Meneer kunt U niks  spannenders bedenken. Het is zo saai, meneer!’
Op mijn kruk vanachter mijn hoge lessenaar keek ik op hen neer. Doodziek werd ik van dat gemekker.
‘ Ik  zit hier toch niet voor de klas om moppen te tappen', zei ik.
 Ze bleven mopperen.
’ Meneer, wanneer hebben we  zulke vragen en dat tekstgedoe later nou  nodig!’ vroeg Marieke en Sandra treiterde:’ Als ik straks ergens een baan heb, meneer, moet ik dan ook alinea’s samenvatten en open vragen oplossen en tegenstellingen kunnen aanwijzen?’
‘ Als je zulke dingen niet kunt, Sandra, dan haal je het diploma niet en dan mag je alleen maar vakken vullen of achter een kassa zitten.’
Dat was het moment dat Ciska met grof geschut begon en mij met haar studiemateriaal bekogelde.
Ik keek eens naar haar leerboek en werkschrift die achter me op de vloer lagen en bedacht dat ik de dames misschien toch een tikkeltje  gekwetst had met  cynisme.
De bel ging.  Vier mavo ging. Iemand raapte Ciska d ’r spullen op. Anderen verzamelden de eigendommen van de voortvluchtige meiden.

De volgende morgen het derde uur wilden ze weer  het lokaal in. Ciska was welkom. Ze had  me ’s avonds gebeld en gezegd dat ze toch  wel spijt had van haar ongewone actie.
De twee meelopers; Marieke en haar vriendin Leonie stuurde ik weg. Ze vonden ook niet dat ze wat uit te leggen hadden. ‘ Ga maar naar de Rector,’ zei ik.
Die nam me in de middagpauze apart. Hij vond dat ik ze weer moest toelaten. Ze hadden tenslotte alleen maar partij gekozen voor een vriendin.
‘ Eerst excuses,’ was mijn reactie.
Hij liep hoofdschuddend over zoveel koppigheid weg.

Nog twee maal weigerde ik Leonie en Marieke de toegang. Het duurde tenslotte ruim een week voor ze eieren voor hun geld kozen. Ze kwamen met een tamelijk neutrale smoes waarbij ze elkaar telkens in de rede vielen.
‘ het was misschien beter geweest als ze het niet gedaan hadden, maar ik had ook wel een beetje begrip kunnen tonen. Ze hadden  toch de kant van Ciska gekozen; hun vriendin die verdrietig was en zorgen had.’
Dat die een tijd later het leven niet meer aankon, wisten we toen niet. Misschien had ik haar buitensporige gooi - en smijtactie beter kunnen plaatsen. Het is maar beter dat je niet alles van te voren weet in het bestaan.

Marieke en Leonie konden de klas weer in en begonnen met frisse tegenzin aan een nieuwe  tekst en moesten  veel verwijswoorden, sleutelwoorden en kernzinnen opzoeken.
Jaren later kwam ik ze nog tegen in de volwassen wereld. Marieke werkte op een makelaarskantoor waar ik mijn huis in de verkoop had. Ze reageerde verrast en enthousiast. We hadden het toch zo gezellig gehad op school, meende ze.
Met Leonie stond ik eens oog in oog in Italiaans restaurantje toen ik daar met een vriendin pasta at. Ze was serveerster. Leonie bedoel ik. Met haar donkere flonkerogen vroeg ze ondeugend lachend of het gesmaakt had en of we nog iets na wilden.
©.c.u. 
tekening Wilfried