Posts tonen met het label havo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label havo. Alle posts tonen

maandag 23 september 2013

Een plattegrond van de klas



en moeten ze dan aan het wandrek ook creatief bezig zijn...

Het was het laatste uur voor de middagpauze. Er bivakkeerde een nieuwe klas voor zijn neus. Ver weg achter in de linker rij verscholen door twee meisjes zat een langharige forse jongen. 
‘ Zit jij daar wel goed?’ Mulder wees. 
‘ Ja meneer, hoezo!’  
 ‘ Jij bent daar  op de laatste bank weggekropen en denkt zo die man  ziet me niet. Heb je iets te verbergen?’ 
‘ Nee, meneer Mulder.’ 
‘ Hou je niet van ogen in je rug. Hoe heet je?’ 
‘ Frederic. ,meneer en ik snap het niet.’   

Mulder schreef de naam op. Hij had een plattegrond van het lokaal gemaakt en moest weten hoe de leerlingen heetten en welke plaats ze kozen.
‘ Hoe is je achternaam?’ 
‘ Keulmans, meneer!’ 
‘Heb je liever geen mensen achter je. Jij houdt  graag alles onopgemerkt in de gaten. Je dacht, Frederic jongen, ik ga zover mogelijk van die leraar af zitten.’   
‘ Nee meneer Mulder.’   
‘ Helemaal fout, jongeman Ik zit hier op een hoge kruk achter mijn lessenaar en als ik opkijk, zie ik jou het eerst, want ik kijk over de lui heen die vlak onder mijn katheder wonen.’ 

De meisjes voor Frederic giechelden en fluisterden.  Hun achterbuurman keek geïrriteerd met een blik van; wanneer stopt die man nou met dat gezeik. Hij zei: ‘Ik zit prima, meneer Mulder.’ 
‘ Daar vooraan links bij het gang raam, is een betere plek Frederic, dat is mijn dooie hoek. Wanneer ik de klas inkijk, zie ik niet wat er gebeurt.’ 
Mulder wees naar de bank bij de deur voorin die nog leeg was. 
' Toe maar daar  mag je van mij wel naar toe verhuizen.’ 
In de klas werd onrustig gelachen. De jongen schudde zijn hoofd. Mulder keek rond, het werd stil. 
Hij ging verder met de klasse plattegrond, wees jongens en meisjes aan en noteerde namen. Dat nam veel tijd. Van lesgeven kwam niet veel. Een kwartier voor tijd besprak hij nog iets met verbindingswoorden, voegwoorden en vaste voorzetsels. Toen de bel ging gaf hij op de valreep nog huiswerk op. Opgelucht haastten zich de leerlingen het lokaal uit, naar huis. Ze hadden de rest van de dag vrij. Hun leraren hadden in de middag een speciale docentenvergadering.

En dus zat Mulder met zijn z’n collega’s na de grote pauze in de aula van de houten nieuwbouw ergens naast de oude onder architectuur gebouwde  School.  De tafels en stoelen stonden er waaiervormig opgesteld met als speerpunt vooraan een stoel voor Rector Schar, Conrector Verpalen en Pijlman van de administratie die notuleerde. 
Het onderwerp was taxonomie. 
De schoolleiding wou meer zicht op  wat er in de klas gebeurde, hoe de kinderen iets werd bij gebracht en wat er zich in het lokaal afspeelde. Kortom ze  hadden graag grip op wat een docent zoal uitspookte. Een leraar moest niet zo maar iets doen. Hij diende zijn gehoor vooraf duidelijk te maken waarom het ging, wat voor nut het had en leerlingen hoorden zich trapsgewijs iets eigen te maken. Daarbij ging het achtereenvolgens om verschillende zaken zoals; herkennen en weergeven( het zogenaamde na-apen), begrijpen, toepassen, analyseren en het scheppen of creëren van iets nieuws en tenslotte het evalueren.. Schar en Verpalen behandelden en bespraken beurtelings de diverse onderdelen. Vanzelfsprekend kreeg het personeel een uitgebreide informatiemap .

Aan de achterste rij van aaneengeschoven aulatafels had Mulder zich geïnstalleerd,  geflankeerd door Jenny van Frans en Paul van Dril van Maatschappijleer en daarnaast dan Wilfried de man van de Vrije Expressie en de Kunstzinnige vorming ( tekenen  dus). Ze gaven elkaar briefjes door met opmerkingen en grappige schetsjes. 
Paul schreef; vraag Verpalen eens hoe hij die taxa-dinges toepast bij gymnastiek, gaat ie  eerst uitleggen waarom ze wandrek-oefeningen doen en moeten ze bij bokspringen  of zitvoetbal ook iets nieuws  creëren!. 
Wilfried maakte spotprentjes van Pijlman die met een dictafoon zat te hannesen. Kortom er werd geklierd en Schar en zijn adjudant hadden daar weinig zicht op want voor hen stonden verspreid pilaren die het lage dak van de aula ondersteunden.

’s Avonds na die enerverende les- en vergaderdag bladerde Mulder  voor hij aan zijn achterstallige correctie begon, nog wat in het taxonomiemodel van Bloom en De Block en schoof de map toen in een bureaula. 
Hij zocht nog weer naar de brief die de Vlaamse schrijver Karel Jonckheere hem geschreven had toen hij het gedicht ‘ Kinderen met Krekelstem’ op school wilde behandelen.. Het epistel met  een haast onleesbaar kriebelhandschrift bleef echter onvindbaar. Wel had hij opeens een stapeltje oude vergeeld stencilwerk in handen. 

De titel luidde:’ Herinneringen van een politiek gevangene uit zijn celleven en omtrent zijn wegvoering naar een strafkamp in Duitschland en zijn terugreis naar zijn woonplaats.’  Mulder rangschikte   het twintigtal  velletjes waaruit het document bestond en begon te lezen: 

Kees Luimers, geboren 21 April 1908, commies ter Provinciale Griffie van Groningen, wonende te Oosterhoogebrug. Bewoner van cel 24 in het Huis van bewaring aan de Hereweg vertelde. Gedurende de laatste week van ons celleven waren we met z’n vijven; Albert Brokken, Arie den Ouden, Freek Waldhoorn , Job Soepboer en ondergetekende. Onze cel was 4 m lang en 2.60 m breed. Er bevonden zich in: 5 stroozakken, 1 opklapbare tafel, 1 hoekkast, 1 niet- opklapbare krib. Bovendien een kruik met water, een emmertje voor het vuile water en 1 emmer te gebruiken als WC. Om de beurt kon er worden geloopen. De vloer van de cel was van beton, zoodat onze schoenzolen gauw doorgesleten waren……..’ 
 Mulder bleef lezen, vergat de tijd. Van het nakijkwerk voor school kwam zo niks en ongetwijfeld zouden morgen Jurgen, Marieke en Geert hem aan zijn kop zeuren:’ Meneer Mulder wanneer hebt U nou eens onze opstellen nagekeken!’ En hij zou dan weer een geloofwaardige smoes moeten verzinnen.  
c.u  
een  verhaal  van ' Uit de Verste Verte 

vrijdag 13 september 2013

Havo- addergebroed




Het regende mateloos. Mulder schreef op het stoffige groene schoolbord. Hij was met gedichten bezig. Soms trakteerde hij de kinderen op poëzie. Ze moesten de mooie verzen die hij voorlas overschrijven in hun schrift of multocahier.  
 Ze zagen het nut daar helemaal niet van in. Dat was niet zonder risico. Hij stond immers met z’n rug naar de leerlingen. 

Die konden vlug allerlei dingen uitspoken. Ze brachten bijvoorbeeld hun geschut in stelling en schoten met minuscule stukjes papier. 
Door het lege omhulsel van een balpen bliezen ze zo vieze kleverige propjes in zijn richting. Leerlingen stopten een stuk kranten- of wc-papier in hun mond en herkauwden dat tot er een plakkerige substantie ontstond. Ze rolden er balletjes van en propten die in hun blaaspijp, namen hun leraar onder vuur.
Vandaag getrooste hij zich de moeite die mooie beginregels  van Vestdijks eerste sonnet uit ‘Madonna met de Valken’ op ’t bord  te schrijven………

De wilde zwier die gij de worp verleende,
Een onbesuisd en maagdelijk gebaar,
Verwees mij naar dezelfde heem’len waar
De valk, aanvallend in zich in klim vereende….

Toen vlogen hem links rechts  die speekselpapier projectielen toch weer om de oren. De propjes hechtten zich aan het schoolbord tussen en naast de poëzie van de dichter. Toen Mulder zich snel omdraaide, zag hij in z’n klas de neutrale gezichten van Sandra, Geert, Jurgen en Leonie die net als de rest van dat havo-addergebroed ijverig de zinnen op het bord in schrift of multomap  overnamen  Een enkeling sabbelde op  pen  of potlood en staarde nadenkend naar het plafond. 

Dit ritueel herhaalde zich bij de volgende strofen die  hij in krijt noteerde. Bij een andere gelegenheid toen hij iets met bordkrijt schreef, herinnerde hij zich een leraar wiskunde van de kweekschool in Groningen. Die man zag in de spiegeling van raam en glas wat er zich achter zijn rug afspeelde en greep met bergen strafwerk genadeloos in.. Mulder keek toen eens terloops opzij naar het raampje naast de toegangsdeur van het lokaal en betrapte Marieke Sprot op heterdaad, wees daarna naar Jurgen Visser en zei: ‘en jij mag straks ook even nablijven, ja jij!’

De kleine stukjes papier die aan het bord kleefden, werden snel hard. Misschien waren het ook stukjes papier-maché.  Bij Knutsel zijn collega Handvaardigheid hadden ze poppen en narrenkoppen moeten maken van  een papje van krantenpapier, lijm en water. Zo waren ze ongewild op het idee gebracht dat je met dat spul bij andere leraren een geintje kon uithalen.  
 Nog een enkele gebeurde maal het dat hij de leerlingen zo het gevoel gaf dat hij ogen in zijn rug had en een paar weken later legde hij in een goedmoedige bui aan zijn klas uit hoe het kwam dat hij  hen elke keer snapte als hij zich omgekeerd had.  Ze vonden dat wel sportief. 

Het schieten met kleffe kogeltje hield op. Misschien zochten ze nu naar andere meer geraffineerde methoden om een de man voor de klas te plagen of voor schut te zetten.  Hoe dan ook. Af en toe raakten de leerlingen toch onder de indruk wanneer hun leraar weer eens zijn poëzie –stokpaardje bereed. 
Dat gebeurde vooral als hij uit het blote hoofd een gedicht opzei, declameerde  voordroeg , zoals: ‘De Schepen’  van Jan van Nijlen, ‘ De Dieren’, van Aart van der Leeuw of ‘ Het Lied der achttien Doden’  van Jan Campert:

‘ Een cel is maar twee meter lang
En nauw twee meter breed
Wel kleiner is het stuk grond
dat ik nu nog niet weet
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien
Wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.’

Dan volgden er nog zeven coupletten en de klas luisterde verbaasd naar die ratelende docent. Hoe was ’t in godsnaam mogelijk dat die man  dat allemaal nog uit zijn bolle kop wist. En ze waren helemaal met stomheid geslagen als hij die drie lange gedichten achter elkaar ten gehore bracht. Ze waren  murw want die gedichten waren  verhalend lang, hadden veel strofen.
Mulder vertelde ze dan dat hij die verzen vroeger  voor school  van buiten had moeten leren en dat hij en zijn klasgenoten vroeger om de beurt voor de klas moesten verschijnen om zo’n gedicht heel mooi en met gevoel voor te dragen en zijn havo- studenten snapten niet dat hij na zo’n lange tijd dat allemaal nog wist.. 

Die man was een wonder , al heel oud, want voor WOII al geboren, had een ijzeren geheugen en ogen op steeltjes, Hij zag immers alles wat er in de klas gebeurde.
Daar kwam ook nog bij dat die meneer Mulder uit eigen werk voordroeg. Dat had tot gevolg dat er meisjes na afloop van de les naar hem toe gingen met de vraag of hij iets in hun poëziealbum, versjesschrift of vrienden boekje schrijven wilde.
Voor een van die meiden, ’t kon Sandra  of Leonie geweest zijn, krabbelde hij iets over haar ‘ Gouden haar’ neer dat ze hebben zou. Dat was pesterij van een hogerplan, immers beide dames hadden pikzwart haar.

‘ Ik zou met jou een appel willen schillen
en zitten op een zonnebankje in het woud
kijken naar je haar van goud
dat je niet hebt, ik weet het wel
maar bij sprookjes zijn die dingen zeer in tel
je zou me zoenen met het risico
 dat ik een prins en jij een kikker was
maar zoiets merk je doorgaans later pas.’

Niet altijd besteedde hij veel tijd aan zo’n schrijfverzoek, vaak waren die versjes niet lang, deed hij niet zijn best en knutselde bij gauw een limerick of puntdicht in elkaar.
©c.u.
Van mijn feuilleton: Uit de Verste Verte

zondag 25 augustus 2013

Vanuit de Verte




Een boek en een multocahier vlogen  rakelings langs zijn hoofd, knalden tegen het bord en vielen op de grond achter hem.
Een meisje krijste:’ en nou ben ik het zat.’
Ze gooide  haar tafel en stoel om en stoof het lokaal uit. De deur knalde.
Twee andere meiden stonden op, krijsten;’ dan gaan wij ook!’
Opnieuw werd de deur ruw dicht gesmeten.
Het was een donderdagmiddag, het laatste uur. De rest van de leerlingen keek even op, maar werkte verder.
De projectielen die  op hem afgevuurd waren,  bleven liggen
De leerlingen waren met een tekstverklaring bezig; een eindexamen opgave. Ze moesten voorbereid worden op het felbegeerde mavo  of havo diploma. Leuk vonden ze dat niet’ Er was gezeurd en tegengestribbeld.
‘ Meneer Mulder kunt U niks  spannenders bedenken. Het is zo saai, meneer!’
Op zijn kruk vanachter de hoge lessenaar keek hij op hen neer. Doodziek werd je van dat gemekker.
‘ Ik  zit hier toch niet voor de klas om grappen te tappen', zei hij.

Ze bleven mopperen.
’ Meneer, wanneer hebben we  zulke vragen en dat tekstgedoe later nou  nodig!’ vroeg  er een en Sandra Baars treiterde:’ Als ik straks ergens een baan heb, meneer Mulder, moet ik dan ook alinea’s samenvatten en open vragen oplossen en tegenstellingen kunnen aanwijzen?’
‘ Als je zulke dingen niet kunt, Sandra Baars, dan haal je het diploma niet en dan mag je alleen maar vakken vullen of achter een kassa zitten.’
Dat was het moment geweest waarop het grof geschut begon en hij met  studiemateriaal bekogeld werd.
Hij keek eens naar het leerboek en werkschrift die achter hem op de vloer lagen en bedacht dat de dames misschien toch een tikkeltje  gekwetst waren door zijn  cynisme.
De bel klonk.  Vier mavo ging. Iemand raapte de spullen op. Anderen verzamelden de eigendommen van de voortvluchtige meiden.

De volgende morgen het derde uur wilden ze weer  het lokaal in. De boekensmijtster was welkom. Ze had  hem ’s avonds gebeld en gezegd dat ze toch  wel spijt had van haar ongewone actie.
De twee meelopers; Marieke Sprot  en haar vriendin Leonie  Kibbeling stuurde hij weg. Ze vonden ook niet dat ze wat uit te leggen hadden.
 ‘ Ga maar naar  Rector Schar,’ zei hij.
Die nam hem in de middagpauze apart en was van oordeel  dat ze weer  in de les mochten. Die meisjes hadden tenslotte alleen maar partij gekozen voor een vriendin.
‘ Eerst excuses,’ was zijn reactie.
Schar liep hoofdschuddend over zoveel koppigheid weg.

Nog twee maal weigerde hij Leonie en Marieke de toegang. Het duurde tenslotte ruim een week voor ze eieren voor hun geld kozen. Ze kwamen met een tamelijk neutrale smoes waarbij ze elkaar telkens in de rede vielen.
‘ het was misschien beter geweest als ze het niet gedaan hadden, maar hij had ook wel een beetje begrip kunnen tonen, hun vriendin die zorgen had en verdrietig was  hadden ze alleen maar willen steunen.’
Dat die een tijd later het leven niet meer aankon, had niemand toen kunnen weten. Misschien had hij dan voor haar buitensporige gooi - en smijtactie  meer begrip gehad. Het was maar beter dat je niet alles van te voren wist in het bestaan.

Marieke en Leonie konden de klas weer in en begonnen met frisse tegenzin aan een nieuwe  tekst en moesten  veel verwijswoorden, sleutelwoorden en kernzinnen opzoeken. Met Marieke bleef hij de rest van het jaar op gespannen voet staan. 
Voor Leonie hield hij een zwak. Dat kwam vooral door die charmante steenkoologen, maar wellicht had het ook te maken met haar  gekke achternaam. Je dacht natuurlijk direct aan een smakelijk visgerecht. In het grote achternamenboek kon echter iedereen verifiëren dat  het allemaal niet verzonnen was. Haar gaf hij de bijnaam mevrouw Kibbel en soms gebruikte hij die toenaam ook in de les, riep dan af en toe Kibbeltje zit niet aldoor te kletsen
Jaren later kwam hij ze nog ergens tegen in de volwassen wereld. Marieke werkte op een makelaarskantoor waar hij zijn huis in de verkoop had gedaan omdat hij naar Groningen terug wou. Ze reageerde verrast en enthousiast.’ Ah meneer Mulder, ik heb veel van U geleerd en we hadden het toch altijd zo gezellig op school’ , meende ze.

Met Leonie Kibbeling stond hij eens oog in oog in Italiaans restaurantje toen hij daar met een vriendin pasta at. Met haar donkere flonkerogen vroeg ze ondeugend lachend of het gesmaakt had en of ze nog iets na wilden. 
Die ondeugende ogen van Kibbel herinnerden hem aan vroeger en heel erg lang geleden toen zijn ouders van de Veluwe naar Groningen verhuisden. Hij  was boos geweest en dacht ook nu nog ontstemd: en mij werd niets gevraagd,  ik wilde helemaal niet. Wat moest ik daar in dat verre Noorden op een vreemde Kweekschool zonder de  klasgenoten waar ik in Deventer zo vertrouwd mee was geraakt…………
Het was misschien ergens in het voorjaar van 1953 geweest. Ja, ik zat in de restauratie, de wachtkamer, van het Groninger hoofdstation  en wachtte  daar op Annie.

maandag 22 april 2013

Een meidenruzie

Wat moeten we nu voor zo'n opstel geven

Fragment uit mijn boek Buitenpark Binnenpark


De leerlingen van 2 en 3havo hebben een eindtoets voor grammatica gemaakt. De resultaten zijn desastreus; slechts een enkeling weet een magere voldoende te scoren en dat is meer geluk dan wijsheid. 
Ik sta in tweestrijd: moet ik dat cijfer laten meetellen of moet de handel in de prullenmand.

Om het slechte cijfer iets te compenseren laat ik ze een verslag schrijven. Je kan het ook een beschrijving noemen. Ze mogen mijn beruchte lokaal 7 weer eens met woorden uittekenen of in volzinnen portretteren.
‘Doe maar net of je aan een onbekende vertelt hoe beroerd het hier is op deze school en speciaal in deze lesruimte ‘, adviseer ik hen.
Zuchtend en protesterend zijn ze met die kut - opdracht begonnen, om het maar in hun idioom weer te geven.

‘Meneer, dit is toch niet leuk, kunt U nog iets stommers verzinnen, wat een bout- opstel, zeg,’schettert Gijs.
Ik glimlach minzaam en zeg: ‘toe maar, begin nu maar; het valt best mee. Je zult zien dat het leuk wordt en dan krijg je op de koop toe een prachtig cijfer.’
Gijs kijkt of hij zich zorgen maakt om mijn psychische toestand en Denise zegt dat ze me door heeft, dat ik geen zin heb me in te spannen voor een leuke les, dat ik liever de krant lees of zo maar wat zit te suffen. Ja Denise! Ze leidt buitenschools al een volwassen leven. Ze heeft verkering met een soort Hell’s Angel of een gemotoriseerde Hooligan. Veel contact met de meisjes van haar klas zoekt ze niet.

Wat heeft ze me goed in de peiling dat kleine kreng met haar gitzwarte ogen. Afgezien van die ogen heeft ze wel iets van mijn busvriendinnetje van vroeger. Ze zit al twee jaar bij me in de klas en we zijn, na hevige voorhoedegevechten, op elkaar gesteld geraakt. Ik noem haar dus vaak Stefanie of  Steffie en dat vindt ze niet vervelend vooral niet na mijn uitleg.
 ‘ Denise ik was vroeger op een meisje zoals jij en die heette zo.’ 
Ze glimlacht met een mengeling begrip en voldoening.  Zo van dat hebben  die andere stomme grieten in de klas mooi niet. Ze heeft het hart op de juiste plek, maar ze kan hemeltergend grof in de mond zijn.
Als Vanessa bij het wisselen van de les tegen haar aanloopt, schreeuwt ze: ‘zit niet met die vuile kont van je tegen me aan te duwen, vies wijf.’
Dat liegt er niet om en Vanessa betaalt haar met gelijke munt en roept dat ze met die gore kut uit haar buurt moet blijven. 

Zo gaat het een tijdje door terwijl de tassen ingepakt worden en ze beschuldigen elkaar beurtelings een slet of sloerie te zijn die het met de hele school doet.
‘Hou jij je er buiten,’roept de één tegen de onschuldige Nashmil die met grote ogen het verbale geweld aanhoort, ‘jij zit de hele dag uitje  vieze neus te vreten!’
Ze zijn vijftien, zestien jaar en zo reageren ze hun ongenoegen af.
Ik vraag: ‘jongens, kan het wat minder?’
‘We zijn meisjes, meneer,’word ik terechtgewezen. 
Als ze de deur uitgaan, roept Vanessa nog wat gruwelijke dingen. Dan ben ik alleen. Er komen geen nieuwe leerlingen want er is een klas uitgevallen: 2havo is met de geschiedenisleraar op excursie.

Ik blader wat in de proefwerkblaadjes met lokaal 7- beschrijvingen en lees hier en daar een stukje. Ze zijn nog niet klaar, morgen mag er verder aan gewerkt worden. Een paar hebben reeds een mooi beginnetje bedacht.
De meesten geven een droge opsomming van wat er allemaal in het lokaal te vinden is.
Gijs inventariseert het aantal stoelen, tafels, tl- buizen en vensters. Dat belooft niet veel goeds. Wouter schrijft dat er woorden aan de wand hangen en Lotte heeft het over papieren met teksten. Wat moet je nou voor zulke opstellen geven........