Posts tonen met het label gedicht lesgeven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gedicht lesgeven. Alle posts tonen

zaterdag 3 november 2018

Ogenblik




Zittend in zijn sta-op-stoel mijmert hij
in het voorbijgaan van de laatste dagen
of het zin heeft de jaren terug te halen:
toen kan immers andere kleren dragen.

Vroeger hadden de straten kippenvel,
hanen kraaiden als de zon op aarde klom.
Er woonde al een mannetje in de maan.
En herder, herder laat je schaapjes gaan.

Tijd was die afspraak met het mooie meisje
dat ‘t moment suprême niet op kwam dagen.
Wellicht was ze er even in een mini seconde,
toen je met de ogen knipperde, in ’t tegenlicht.

Water dat voortkabbelde, veldbloemen in een wei
die oogopslag: je had nog geen ‘uitzending gemist’.

©c.u.

dinsdag 16 januari 2018

Vanavond is de stad weer iets rijker




Zes gedichten; een  willekeurige keuze  uit  36 gedichten van 6 tieners  verzameld in de bloemlezing :De Rijkere Stad


Ik hol nu
naar de rivier
zo onhoorbaar
snelstromend
dichtbij
en waar
aan de oever
de veerman
weer niet
op me wacht.                  ( Marco)

Slaperig, nauwelijks uit bed
Snakkend naar je eerste sigaret
Haast je je door de gangen
Beheerst door een hartstochtelijk verlangen
Naar die goede, oude school.               ( Eric B)


Oneindig
beklim  ik
de ladder,
reikend

Zwak
uiteindelijk
zak ik
door de brug

Maar m’n val
wordt gebroken
door m’n geheugen.  ( Tim Erik v. P.)

Doolhof

En telkens weer denk ik:
Ik ben er
en telkens weer blijkt
dat ik me vergis.
Telkens weer blijkt
dat ik voor een raam sta
en niet voor een  deur.
Ik zie wel de bliksem
maar ben haar niet.
Ik zie wel de storm
maar voel haar niet
Ik zie wel de maan
 maar ze kust me niet.
Want telkens weer blijkt:
Ik sta voor een raam
en niet voor een deur
Ik sta voor een raam
 en kijk toe.            (Petra de B.)


Samen
jouw kamer
kaarsen doven

Een drankje
Rolpatroon
Lichte angst.

Muziek!
Romantiek?
Je moet me geloven

Voorlopig
duurt vriendschap
’t langst               (Marianne W.)

Musical ‘81

De regen
deed de stormende
vlagen van geluk
van me afstromen
zodat ik niet barstte.
Alleen binnenin
bleef een verdraagzaam
maar intens gloeiend
gevoel van eenheid,
tevredenheid
en de regen
kletterend in het ritme
van de na deinende muziek
in m’n hoofd.
De regen
ze verborg m’n tranen.      (Ruby H.)



vrijdag 13 september 2013

Havo- addergebroed




Het regende mateloos. Mulder schreef op het stoffige groene schoolbord. Hij was met gedichten bezig. Soms trakteerde hij de kinderen op poëzie. Ze moesten de mooie verzen die hij voorlas overschrijven in hun schrift of multocahier.  
 Ze zagen het nut daar helemaal niet van in. Dat was niet zonder risico. Hij stond immers met z’n rug naar de leerlingen. 

Die konden vlug allerlei dingen uitspoken. Ze brachten bijvoorbeeld hun geschut in stelling en schoten met minuscule stukjes papier. 
Door het lege omhulsel van een balpen bliezen ze zo vieze kleverige propjes in zijn richting. Leerlingen stopten een stuk kranten- of wc-papier in hun mond en herkauwden dat tot er een plakkerige substantie ontstond. Ze rolden er balletjes van en propten die in hun blaaspijp, namen hun leraar onder vuur.
Vandaag getrooste hij zich de moeite die mooie beginregels  van Vestdijks eerste sonnet uit ‘Madonna met de Valken’ op ’t bord  te schrijven………

De wilde zwier die gij de worp verleende,
Een onbesuisd en maagdelijk gebaar,
Verwees mij naar dezelfde heem’len waar
De valk, aanvallend in zich in klim vereende….

Toen vlogen hem links rechts  die speekselpapier projectielen toch weer om de oren. De propjes hechtten zich aan het schoolbord tussen en naast de poëzie van de dichter. Toen Mulder zich snel omdraaide, zag hij in z’n klas de neutrale gezichten van Sandra, Geert, Jurgen en Leonie die net als de rest van dat havo-addergebroed ijverig de zinnen op het bord in schrift of multomap  overnamen  Een enkeling sabbelde op  pen  of potlood en staarde nadenkend naar het plafond. 

Dit ritueel herhaalde zich bij de volgende strofen die  hij in krijt noteerde. Bij een andere gelegenheid toen hij iets met bordkrijt schreef, herinnerde hij zich een leraar wiskunde van de kweekschool in Groningen. Die man zag in de spiegeling van raam en glas wat er zich achter zijn rug afspeelde en greep met bergen strafwerk genadeloos in.. Mulder keek toen eens terloops opzij naar het raampje naast de toegangsdeur van het lokaal en betrapte Marieke Sprot op heterdaad, wees daarna naar Jurgen Visser en zei: ‘en jij mag straks ook even nablijven, ja jij!’

De kleine stukjes papier die aan het bord kleefden, werden snel hard. Misschien waren het ook stukjes papier-maché.  Bij Knutsel zijn collega Handvaardigheid hadden ze poppen en narrenkoppen moeten maken van  een papje van krantenpapier, lijm en water. Zo waren ze ongewild op het idee gebracht dat je met dat spul bij andere leraren een geintje kon uithalen.  
 Nog een enkele gebeurde maal het dat hij de leerlingen zo het gevoel gaf dat hij ogen in zijn rug had en een paar weken later legde hij in een goedmoedige bui aan zijn klas uit hoe het kwam dat hij  hen elke keer snapte als hij zich omgekeerd had.  Ze vonden dat wel sportief. 

Het schieten met kleffe kogeltje hield op. Misschien zochten ze nu naar andere meer geraffineerde methoden om een de man voor de klas te plagen of voor schut te zetten.  Hoe dan ook. Af en toe raakten de leerlingen toch onder de indruk wanneer hun leraar weer eens zijn poëzie –stokpaardje bereed. 
Dat gebeurde vooral als hij uit het blote hoofd een gedicht opzei, declameerde  voordroeg , zoals: ‘De Schepen’  van Jan van Nijlen, ‘ De Dieren’, van Aart van der Leeuw of ‘ Het Lied der achttien Doden’  van Jan Campert:

‘ Een cel is maar twee meter lang
En nauw twee meter breed
Wel kleiner is het stuk grond
dat ik nu nog niet weet
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien
Wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.’

Dan volgden er nog zeven coupletten en de klas luisterde verbaasd naar die ratelende docent. Hoe was ’t in godsnaam mogelijk dat die man  dat allemaal nog uit zijn bolle kop wist. En ze waren helemaal met stomheid geslagen als hij die drie lange gedichten achter elkaar ten gehore bracht. Ze waren  murw want die gedichten waren  verhalend lang, hadden veel strofen.
Mulder vertelde ze dan dat hij die verzen vroeger  voor school  van buiten had moeten leren en dat hij en zijn klasgenoten vroeger om de beurt voor de klas moesten verschijnen om zo’n gedicht heel mooi en met gevoel voor te dragen en zijn havo- studenten snapten niet dat hij na zo’n lange tijd dat allemaal nog wist.. 

Die man was een wonder , al heel oud, want voor WOII al geboren, had een ijzeren geheugen en ogen op steeltjes, Hij zag immers alles wat er in de klas gebeurde.
Daar kwam ook nog bij dat die meneer Mulder uit eigen werk voordroeg. Dat had tot gevolg dat er meisjes na afloop van de les naar hem toe gingen met de vraag of hij iets in hun poëziealbum, versjesschrift of vrienden boekje schrijven wilde.
Voor een van die meiden, ’t kon Sandra  of Leonie geweest zijn, krabbelde hij iets over haar ‘ Gouden haar’ neer dat ze hebben zou. Dat was pesterij van een hogerplan, immers beide dames hadden pikzwart haar.

‘ Ik zou met jou een appel willen schillen
en zitten op een zonnebankje in het woud
kijken naar je haar van goud
dat je niet hebt, ik weet het wel
maar bij sprookjes zijn die dingen zeer in tel
je zou me zoenen met het risico
 dat ik een prins en jij een kikker was
maar zoiets merk je doorgaans later pas.’

Niet altijd besteedde hij veel tijd aan zo’n schrijfverzoek, vaak waren die versjes niet lang, deed hij niet zijn best en knutselde bij gauw een limerick of puntdicht in elkaar.
©c.u.
Van mijn feuilleton: Uit de Verste Verte

woensdag 28 augustus 2013

Een slaap les




tekstverklaring slaapverwekkend
Een slaap les

Het was een dag waarop het maar niet licht wilde worden. De bel voor het eer­ste uur klonk. Leerlingen kwamen zijn lokaal in en zochten hun plaats. Sandra Baars deed 't licht aan.
Mulder zei:’ Jongelui en Beste kinde­ren, als jullie  nu eens  een keer echt stil willen worden , kun je als je goed luistert, horen wat er in an­de­re loka­len ge­beurt.’
Het werd stil­ler dan stil.
Uit 't lokaal van  zijn collega  geschiedenis klon­ken gedempt his­tori­sche kre­ten.  In het do­mein van Herr Deuts­chland waren de beruch­te voorzet­sels van de derde naamval te horen. Ergens in de verte werd ge­scholden, met een deur ge­smeten; de wiskundedocent had z'n eer­ste pupil verwij­derd. Een tijdlang bleef de klas  op  het vreemde verzoek van hun leraar zo luisteren naar  die verre geluiden ‘ Sandra, ’ zei hij tenslotte, ‘doe het licht uit, 't is te vroeg  om les  te geven, we gaan sla­pe­n!’
Op slag was 't don­ker, nacht bij­na.

‘Zo, maak het je maar  eens gemakkelijk; ga  lekker met je hoofd en armen op je tafeltje liggen, schuif je boek en schrift maar aan de kant! We gaan een poosje slapen­’
Marieke giechelde, maar deed wat hij wou. Het duurde even voor ze be­sefte dat  haar leraar 't meen­de. Er klonk surro­gaat -gesnurk­ en men keek of ie­der meespeelde. Sommigen knepen stijf hun ogen dicht Anderen gluurden wat verbaasd rond. 
Na kor­te tijd heerste er een diepe rust, stilte waarvan een le­raar slechts dro­men mag. Uit lo­ka­len hoorde je  verre gelui­den, samen sla­pen kreeg ­zo een andere di­mensie! .In alle klassen brandde licht en in lokaal 7 was het vreemd donker. Conrector Verpalen die over de bovengang  ging, dacht waarschijnlijk dat  het lokaal leeg was en kwam geen poolshoogte nemen.
En zo bleef het stil in de klas tot Olaf zei:’ Meneer, moe­ten we nog langer slapen!’ ‘Wou jij soms huiswerk ma­ken!’  Nee, dat wilde hij niet, de rust kwam terug met 't zwakke leven van ver­re en nabije loka­len.

Buiten begon 't te sche­me­ren; hij pakte een boekje, ging bij 't raam zitten en begon  voor te lezen iets van de Vlaamse schrijver Karel Jonckheere; ‘Kinde­ren met krekelstem’, een lang gedicht over school­kinderen in Servië, die bij 't aan­breken van de dag, na een lange nacht in school, door Duitsers gedood wor­den.   
En  terwijl het buiten langzaam lichter werd las hij voor  die passende indruk makende re­gels:… ‘ naar een verhaal luisteren kinderen, zeven, honderd, duizend. Ze zijn er eens geweest. Die nacht.’ en verderop de zinnen :’de school ­plicht ont­waakt uit dui­zen­den ogen, de les die je van­nacht hebt geleerd moet je echter voor morgen niet kennen, voor allen be­gint de grote vakan­tie,  straks speel je in de eeu­wig­heid. Dag kinderen met de krekelstem.’
De bel ging, 't verhaal was uit!­ Een andere klas kwam; dikke meisjes en lange jon­gens: een af­grijselijke her­rie. Ze wilden alle­maal tegelijk naar bin­nen;. Bij de wisseling van de les stond aan de over­kant van de gang de trage, f­leg­matie­ke Herr D. over zijn naam­vallen na te den­ken.
©c.u.