woensdag 10 juli 2013

Een tekenles uit 1956





‘Maak nu’, zei ik,’ een stad
 in de verte, zet bomen
 op de horizon
in een feestelijke wereld.’

 En  Henkie Koetje begon;
kraste zijn schone land
vol  onbeheerste strepen,
wiebelend  op zijn stoel.

Toen  er tussen lucht en grond
 nauwelijks nog onderscheid bestond,
tekende hij vol vuur met waskrijt:
Bomen, huizen en een rokende fabriek.

Zuchtte: ’meester, mijn papieren land
is vol ,wat nu, er is geen ruimte over.’
‘neem dan de achterkant’, zei ik, en kleur,
kleur daar iets van Oostenrijk of Zwitserland.’

©.c.u
( tekeningen van kleine Koetje met z’n wilde kuifje; hij zat toen in de 3e klas; groep 5 zullen we nu zeggen)

zaterdag 29 juni 2013

voor F




Schipper mag ik overvaren

want ik wil naar de overkant

het is het oude liedje

daar pluk ik een vergeet-me-nietje

schipper ik moet naar een ander land



schipper kan ik overvaren

de zee is er zo diep

en omdat het leven tegen liep

hou ik me voor de mal

dat het beter is op de andere wal



schipper zal ik overvaren

je hoeft niet met me mee te gaan

ook alleen kan ik de narigheden aan

maar wil je me toch vergezellen

ik zal je mijn verhaal vertelllen



schippertje eens moet ik naar de overkant

en ga jij naar een ander land

daar spreken ze geen enkele taal

en lezen ze misschien geen krant

denk dan aan mijn verhaal



waar je dan ook bent

als je me herkent schippertje

aan iets of iemand of

een heel klein

snippertje

c.u.
( foto van muurschildering Toon Tieland op een flat in de Kruiskamp in Amersfoort )

maandag 6 mei 2013

Hoog van de toren




‘ Waar zit dat hoofd van jou, leuk gezelschap heb ik zo. Ik vroeg  je wat!’
 Met zijn collega Jan de Keizer stond hij verkleed als monnik op een stompe toren. Het was een zonvriendelijke dag in september. Ze keken uit over een randmeer en een vierkant vissersstadje.
’ Waarom zijn Angel en jij eigenlijk uit elkaar gegaan? Kom op, je kunt het me hier wel opbiechten.’ 
Mulder schudde zijn hoofd;’  het ging gewoon niet meer, ze wilde alles beter weten, er ging niks van me uit, vond ze. Alles wat ik deed wat verkeerd.’ 
Jan vond dat geen argumenten, hij ging op het muurtje zitten dat het torenplateau omheinde.
‘ En je hebt nooit weer een nieuwe vriendin gehad, al die jaren vrijwillig met celibaat, dat wil er bij mij niet in.’
‘ Ze heette niet eens Angel. Ze wilde gewoon  een andere naam omdat ze Engeltje te plattelands vond……daar werd vaak om gelachen.’

Er klonken stemmen ergens op de toren wenteltrap. Er kwamen mensen naar boven. Die zouden misschien vreemd opkijken; twee priesters of kloosterlingen op een Protestantse  Stadstoren. Hun verhaal dat ze leraar waren, een controlepost bemanden, dat  hun leerlingen in het kader van de toneelwerkweek een puzzelfietstocht reden van Keistad naar ’t Harde, zou weinig geloof vinden. 
Het jonge stel dat even later opdook, deed net of ze lucht waren. Het paartje keek rond, maakte wat  foto’s en trok zich schielijk terug: je wist het maar nooit met zulke vreemde snoeshanen daarboven
’ Was dat Engeltje je enige vriendin en heb je nooit andere gehad?’ Collega Jan bleef hinderlijk vragen.

Hij werd moe van het staan en ging naast Keizer op de torentrans zitten. Zijn manke been was er in de loop van de jaren niet beter op geworden. Als dat zo door ging zou hij nog eens aan de kunstheup moeten.
’ Eerst was er Annie’, zei hij om Jan gerust te stellen,’ die liet me zitten voor een ander, daar verloofde ze zich mee omdat ze zwanger was.’
Keizer keek bedenkelijk.’ Niet van jou neem ik aan!’
‘ Nee en ook niet  van  Jaap, zo heette die jongen. Die zou heel ridderlijk met haar trouwen en wou  hij de baby wel  echten zoals dat heet. Maar Jaap ging plotseling dood toen hij een kop koffie  dronk. Annie heeft toen  nog een tijd op het politiebureau gezeten. Nee, daar heeft ze weinig plezier aan beleefd.’
‘ Dat kan hartfalen geweest zijn, dat hoor je wel meer van mensen op nog jonge leeftijd.’

Nu was er veel lawaai  van gegiechel beneden. Even later zagen ze de vrolijke gezichten van Leonie en Sandra uit het trapgat  verschijnen. De meiden duikelden en rolden haast het platte toren dak op.  Ze kwamen hun puzzeltochtstempelkaart laten afstempelen. Ondanks hun monnikskappen en bruine pijen werden Keizer en hij onmiddellijk gespot en herkend.
’ Ha die meneer Mulder, wat ziet u er gek uit in zo’n soepjurk, die staat  helemaal niet’, lachte Leonie.
En Sandra vond dat haar gymleraar Jan Keizer er wel goed uitzag, want die leek met dat vrome gezicht en schijnheilig lachje nog het meest op een pastoor of kapelaan.

’ Staan jullie hier al lang’, wilde Leonie weten,’ daar is ook geen pest  aan en op dat uitzicht ben je gauw uitgekeken.’
En Sandra Baars grinnikte;’ Meneer Mulder mag wel oppassen dat hij niet naar beneden kukelt, want hij staat niet zo vast op zijn benen en valt  soms over een drempel of een sprietje gras.’
Na veel getreuzel verlieten de dames Baars en Kibbeling tenslotte het toneel. En Keizer begon weer met zijn nieuwsgierig commentaar en gevraag.
’ Ik snap het niet’, zei hij, ‘ alle meiden en vrouwen zijn gek op je en jij doet er niets mee. Er zijn bij ons op school een paar leraressen die single  zijn…..’

Mulder keek naar beneden; daar was een klein pleintje van een Lagere School.’ Zo eenvoudig is het allemaal niet, het moet klikken, ze mogen me maar niemand houdt van me, zo moet je het zien’ zei hij.
‘ Jenny, die nieuwe van Frans, is zij niks. Ik zie je wel vaak naast haar aan de koffietafel, dat is niet toevallig’
‘ Bij haar vis ik ook achter het net, ik loop altijd warm voor een die onbereikbaar is of wordt.’
Mulder was al  een enkele keer  met  Jenny een avond wezen stappen. Heel gezellig, ze werd aanhankelijk, gaf hem stevig een arm als ze wat wijn gedronken had.
’ Ze heeft  een paar keer voor me gekookt, zei hij,’  en ze is een keer bij me wezen eten. Ik had vruchtennasi gemaakt. Dat is een recept van mijzelf.. Maar ja onze kinderen zaten er bij en dan ga je geen gekke dingen doen.’
’ Nou als iemand bij je eet, ligt de weg voor een duurzame relatie voor open’, lachte Keizer.
  
Er was nu herrie ergens in de toren, het trapluik zwaaide open. Jurgen, Tsi Kwa Hu en Ronald  maakten hun entree. Ze riepen :’ Hebbes!’ zwaaiden met hun stempelkaart  en verklaarden dat er niemand meer komen zou, want iedereen was verdwaald of  had een andere kortere snellere weg genomen. Ze gingen weer, want er waren in dat stadje interessantere zaken dan een paar verklede en voor gek lopende leraren.

‘ En hoe ging het verder met Jenny’ vroeg Jan.
‘ Nou niet,’  zei hij,’ opeens had ze iets met een collega van het Gymnasium, waar ze ook wat les geeft. Die man geeft daar Latijn en Grieks. Hij heet Jaap Johan of omgekeerd, weet ik veel. Een grote sterke vent. Hij ziet er  een beetje uit als die judoka uit Utrecht die de Japanners verslagen heeft.. Nou en met zo iemand kan ik me niet meten. Verpalen onze conrector heet ook Jaap. Ik heb een hekel aan lui die Jaap heten Dus dat wordt niks, ja ze doet altijd nog aardig en vertrouwelijk, Jenny, dat is leuk maar het zet geen zoden aan de dijk.’
Dat  was lullig vond Keizer.

Er viel een lange stilte. Mulder keek naar de oude zeewering langs het voormalige IJsselmeer en de vroegere Zuiderzee
’ Waar zijn je gedachten,  vroeg  z’n collega.’  ‘ Heel ver weg, ergens achter de horizon. We moesten maar eens gaan vind je ook niet Jan!’
In hun bruine kreukelige monnikspijen gingen ze de wenteltrap af en stapten  zo even later in de lichtblauwe Lada die in een zijstraatje geparkeerd stond. Er zat een bon onder de ruitenwisser. Keizer bromde,’  Krijg nou wat!’

©c.u. Amersfoort 05-05-2013 

maandag 22 april 2013

Een meidenruzie

Wat moeten we nu voor zo'n opstel geven

Fragment uit mijn boek Buitenpark Binnenpark


De leerlingen van 2 en 3havo hebben een eindtoets voor grammatica gemaakt. De resultaten zijn desastreus; slechts een enkeling weet een magere voldoende te scoren en dat is meer geluk dan wijsheid. 
Ik sta in tweestrijd: moet ik dat cijfer laten meetellen of moet de handel in de prullenmand.

Om het slechte cijfer iets te compenseren laat ik ze een verslag schrijven. Je kan het ook een beschrijving noemen. Ze mogen mijn beruchte lokaal 7 weer eens met woorden uittekenen of in volzinnen portretteren.
‘Doe maar net of je aan een onbekende vertelt hoe beroerd het hier is op deze school en speciaal in deze lesruimte ‘, adviseer ik hen.
Zuchtend en protesterend zijn ze met die kut - opdracht begonnen, om het maar in hun idioom weer te geven.

‘Meneer, dit is toch niet leuk, kunt U nog iets stommers verzinnen, wat een bout- opstel, zeg,’schettert Gijs.
Ik glimlach minzaam en zeg: ‘toe maar, begin nu maar; het valt best mee. Je zult zien dat het leuk wordt en dan krijg je op de koop toe een prachtig cijfer.’
Gijs kijkt of hij zich zorgen maakt om mijn psychische toestand en Denise zegt dat ze me door heeft, dat ik geen zin heb me in te spannen voor een leuke les, dat ik liever de krant lees of zo maar wat zit te suffen. Ja Denise! Ze leidt buitenschools al een volwassen leven. Ze heeft verkering met een soort Hell’s Angel of een gemotoriseerde Hooligan. Veel contact met de meisjes van haar klas zoekt ze niet.

Wat heeft ze me goed in de peiling dat kleine kreng met haar gitzwarte ogen. Afgezien van die ogen heeft ze wel iets van mijn busvriendinnetje van vroeger. Ze zit al twee jaar bij me in de klas en we zijn, na hevige voorhoedegevechten, op elkaar gesteld geraakt. Ik noem haar dus vaak Stefanie of  Steffie en dat vindt ze niet vervelend vooral niet na mijn uitleg.
 ‘ Denise ik was vroeger op een meisje zoals jij en die heette zo.’ 
Ze glimlacht met een mengeling begrip en voldoening.  Zo van dat hebben  die andere stomme grieten in de klas mooi niet. Ze heeft het hart op de juiste plek, maar ze kan hemeltergend grof in de mond zijn.
Als Vanessa bij het wisselen van de les tegen haar aanloopt, schreeuwt ze: ‘zit niet met die vuile kont van je tegen me aan te duwen, vies wijf.’
Dat liegt er niet om en Vanessa betaalt haar met gelijke munt en roept dat ze met die gore kut uit haar buurt moet blijven. 

Zo gaat het een tijdje door terwijl de tassen ingepakt worden en ze beschuldigen elkaar beurtelings een slet of sloerie te zijn die het met de hele school doet.
‘Hou jij je er buiten,’roept de één tegen de onschuldige Nashmil die met grote ogen het verbale geweld aanhoort, ‘jij zit de hele dag uitje  vieze neus te vreten!’
Ze zijn vijftien, zestien jaar en zo reageren ze hun ongenoegen af.
Ik vraag: ‘jongens, kan het wat minder?’
‘We zijn meisjes, meneer,’word ik terechtgewezen. 
Als ze de deur uitgaan, roept Vanessa nog wat gruwelijke dingen. Dan ben ik alleen. Er komen geen nieuwe leerlingen want er is een klas uitgevallen: 2havo is met de geschiedenisleraar op excursie.

Ik blader wat in de proefwerkblaadjes met lokaal 7- beschrijvingen en lees hier en daar een stukje. Ze zijn nog niet klaar, morgen mag er verder aan gewerkt worden. Een paar hebben reeds een mooi beginnetje bedacht.
De meesten geven een droge opsomming van wat er allemaal in het lokaal te vinden is.
Gijs inventariseert het aantal stoelen, tafels, tl- buizen en vensters. Dat belooft niet veel goeds. Wouter schrijft dat er woorden aan de wand hangen en Lotte heeft het over papieren met teksten. Wat moet je nou voor zulke opstellen geven........