maandag 26 januari 2015

Watergeuzen





Watergeuzen

De school stonk naar stront. Veel scholen doen dat soms, maar voor onze Rem­brandtschool was dat uit­zon­derlijk. Van Putten liep bezorgd en besluiteloos rond. Het had de voorbije nachten dramatisch gevroren en nu was de hoofdwaterlei­ding naar de school dicht en misschien wel kapot.  De wc's konden niet doorgetrok­ken, handen niet gewassen en thee of koffie niet gezet worden. Natuur­lijk moest de les ge­woon doorgaan, vieze lucht of niet. Gelukkig deed de tele­foon het wel. 
Van Putten kreeg ver­binding met het gemeentehuis.
Om half elf in de pauze kwamen drie grote mannen de speel­plaats opstappen. Zij begon­nen het plein te vernielen; te­gels werden op een hoop ge­gooid, met een soort houwelen sloe­gen ze gaten in de stijve grond. Onder­tussen maakten ze schuine grapjes in de rich­ting van Juf Olivier. 
Wij durf­den er niets van te zeggen. Al spoedig ont­dekten de mannen, dat de waterlei­ding niet diep ge­noeg onder de grond was ge­legd. Ze ver­trokken en lie­ten een ver­woest plein ach­ter. 

In de loop van de dag kwam een gemeenteman vertel­len dat de school voorlopig, zolang de vorst re­geerde, niet te hel­pen was. Ze wil­den de lei­ding wel onder stroom zet­ten met elektriciteit, mis­schien ging de zaak ont­dooien. Nie­mand mocht meer aan wa­ter­kra­nen of iets der­gelijks zitten. Van Put­ten kondigde de nood­toestand af. De kin­deren kregen op­dracht thuis voor school uitge­breid naar het toilet te gaan.
Het geven van Aardrijkskun­de, biolo­gie of geschiedenis terwijl een vage geur de atmosfeer verpestte, was verre van aan­genaam. 
De be­spreking van 't Voorspel van de 80-jarige oorlog kwam bij zo'n verwoest schoolplein in een ander dag­licht te staan. Het ver­haal van de eek­hoorn die in lege vo­gelnesten een winter­slaap houdt en vergeet waar hij  z'n wintervoorra­den heeft verstopt, kon de kinderen maar matig boeien.

Buiten liepen immers inte­ressante gemeente­mensen ge­wichtig te doen. De elektri­sche stroom ontdooide het water niet. De vingers die af en toe werden opgestoken had­den niet veel met de les te maken.
‘Als die waterbuis springt, komt dan het hele plein onder water,’ wilde Roelof Spat weten.
’Dat kan niet joh, stommerd, hij is toch vol gevroren met ijs,’ wees As­trid Prins hem terecht, voor ik kon ant­woor­den.
’Mag ik naar achte­ren, naar de wc,’ vroeg Hansje Dijkmans,’ het is maar een kleine bood­schap, ik hoef geen grote.’
Dat verzoek moest ik beslist weige­ren, want zo'n vraag werkte aan­ste­kelijk; ieder­een dacht aan plas­sen, alle blazen werden actief.
’Nee, Hans­je, dat kan en dat mag niet.’
‘Dan knap ik straks, meester, dan is het uw schuld.’
‘Nee Hans, dat gebeurt niet zo gauw, hou hem maar op.’
Hij was niet tevreden, trok een ongeluk­kig gezicht, duwde beide handen in zijn kruis en zat ongeduldig te wippen.
’Egmond en Hoo­rne werden dus onthoofd,’ hervat­te ik mijn verhaal,’ en Margaretha van Parma liet hen in de steek.’
’Wat een stom wijf,’ zuchtte Emma van Zutphen ,’ het wa­ren zul­ke goeie rid­ders.’
‘Nee, het waren gra­ven, die ke­rels, graven zijn geen ridders, reageerde Mag­da.
De les werd mij eens uit handen genomen.
‘Ik plas hier zo op de grond,’ sprak Hans nu bijna plechtig.’
‘Dat laat je uit je hoofd,’ probeerde ik.
‘Alva was ook geen ridder,’ deelde Maria ons nu mee,’Hij stuur­de Mar­garetha naar huis.’
‘Als Hans hier zeikt, ga ik er­gens anders zitten,’ riep Harm Cladder.’
‘Ja en ik ook,’ echode Wil­fried.
’Ik kan het toch bui­ten in de strui­ken doen,’ smeekte Hans  sme­kend,’ toe, meester, het is bitte­re nood­zaak.’
Die zin had hij uit boek of  krant, be­greep ik.
‘Nou Hans ga dan maar even.’
‘Wij moeten ook,’ riepen nu ande­re jon­gens.
Ik stemde toe. Ze vlo­gen de deur van het lokaal uit, vijf man sterk.

Even later zagen we ze over het opge­broken plein in de rich­ting van de rozen­strui­ken en de hoge kale mei­doorns en krul­wilgen er­achter lopen, Hans voorop met een hand tussen z'n be­nen.
’Het is gemeen, mees­ter,’zei Maria Ziel­tjens,’wat moeten de meisjes dan, U trekt de jon­gens voor. Wij kunnen niet.’
Daar stonden de vijf op een rij en deden wie het verste kon; mijn klas keek ademloos toe.   Ze kwamen terug en ach­ter hen stond Van Put­ten.
’Dat wil ik niet meer zien, Uit­ham, dat gaat niet, dat snap je toch ook wel!’
Ik knikte; ik begreep het heel goed.
Hij ging en ik tracht­te mijn geschiedenis les nieuw leven in te bla­zen:’ Na de terechtstelling van Egmond en z'n vriend kwamen de watergeuzen in opstand, ze veroverden Den Bosch  en toen begon de beeldenstorm.’
Er klopte chro­nologisch niets van m 'n ver­haal; ik was ontspoord. Ge­lukkig liet de kerktoren weten dat het twaalf uur was en alle kin­deren stoven naar huis.

‘Ik heb een verrassing,’ zei Van Putten de volgende dag in het onderwijzerska­mertje,’ ik heb een piano aangeschaft en de gemeente brengt van­morgen een 'rijdend toilet'. Wat het een met ander van doen had, zagen we niet.
’Een piano,’mopperde Van Drie,’ wie mag daar dan mee spelen.’
‘Juf Olivier, want die speelt harp,’ zei ons Hoofd en toen begon hij aan een uitge­breide instruc­tie van het gebruik van het mobiele weecee­tje. Het was een klein huisje op wie­len met twee toiletten en een duistere afvoer. 
Nooit waren de kinderen zo en­thou­siast en vaak naar de wc gegaan. Vinger omhoog:’ Meester mag ik naar achteren, dan de klas en de school uit, het plein over naar de verste hoek waar de attrac­tie stond. Er werd niet meer nor­maal gewerkt; uit alle klassen gingen en moesten ze massaal en in mijn klas waar je goed zicht had op de ge­beurtenissen, was lesgeven vrijwel onmogelijk.
Drie of vier dagen later viel gelukkig de dooi in; de water­leiding herstelde zich van de vorstaanval en ik kon weer fijn met mijn klas wer­ken. 
In alle rust mocht ik het verschil tussen laag - en hoogveen uitleggen. De piano werd in de dagen en de maan­den die volgden de oorzaak van heel wat wanklanken in onze kleine school - een leefgemeenschap.
©c.u.

zaterdag 24 januari 2015

Dianthus Barbatus.L





Onder de rokken van Maartje Visch  rook het niet fris. Gewillig wachtte ze. Na knikkeren en steltlopen had Hans een nieuwe tijdsbesteding ontdekt: doktertje spelen!
Hij richtte zich op tussen de afgezak­te kousen. Uit een ­kistje met Duizendschoon plukte hij  bloemblaadjes  . Hij zei:’ Leg die onder je kussen, dan ben je morgen weer gezond als een vis.’
De kruidendokter sloeg het zand van z'n knieĂ«n en betrad met:’ Zijn er nog meer patiĂ«nten ‘, de wachtkamer, een stuk gazon met rododen­drons.
 ‘ Ik, ik en ik,’ klonk het vrolijk.
Verbijsterd keek Hans naar mij, zijn assis­tent.
’Wie van jullie heeft de ergste kwaal,’ vroeg hij.
Het wild meisjesgekwetter bracht ons geen stap verder.
’ De kikkerproef ,zei ik.
Hij knikte:’ Haal een kikker, liefst een pad!’
‘ Meisjes, maak een kring ,’ hoorde ik hem nog beve­len.

Onder een beukenhaag, had ik al gauw een paar groenrokken verschalkt. Terug op het gras zag ik Hans, peinzend  als een medi­cijnman  om de meisjeskring lopen.
‘ Hier is de proefkikker,’ zei ik, het beest hoog hou­dend.
Dokter Hans nam 't diertje over en dook onder de armen van Willemijn en Titia door de cirkel in.  Hij maakte een kuiltje in ’t gras en keek de meisjes  streng aan.
Die waren liever weg gelopen, maar hadden elkaar een hand gegeven. Toen het kuiltje klaar was, zette Hans de kikker erin en ging de kring uit. 
De kwaker bleef  knipogend zitten. Dat was bedoeling niet. Vlug raapte ik wat steentjes en gaf ze  aan de medicijnman die zorgvuldig mikte. Het  beest  sprong richting Wille­mijn, die terugdeinsde en los­liet. De kring en de betovering waren verbroken.

De kikker had gekozen: een goede keus. Willemijn had onder haar rok met miniatuur klimrozen een lichtblauw broek­je, een attractie. De meeste dorpsmeisjes droegen van die grijze gebreide dingen.
’Jij bent heel ziek,’ riep Hans.’ Jij hebt hulp nodig!’ Hij kroop met haar onder de rododen­drons.
De kikker hipte weg richting pastorie.  
Ik vroeg  net de meisjes rustig te gaan zitten, toen er een pastoriedeur openging. Onmiddellijk stoof iedereen weg: een wilde vlucht van dokter en patiĂ«nt door een tuinpoortje.
's Avonds bij het uitkleden vond ik in m’n broekzak nog een verfomfaaide kikker. ‘Jongen, wat doe jij toch voor rare dingen,’ zei mijn moeder.

In de weken daarna hielden we vaak tuinspreekuur . We experimenteerden, pasten alle mogelijke varia­ties  op het duizendschoonrecept toe tot de dominee een eind maakte aan dit 'Sodom en Gommorah'. 
Hij kwam op pan­toffels langs het tuinpad, torende hoog boven ons naast de hartstochtelijk bloeiende rododendrons en opende verbaal het vuur:’ Dat is toch  geen spel voor mannen. Jongens spelen niet met meisjes!’  
Zoals hij daar bloots­hoofds in overhemd met opgerolde mouwen stond, had hij iets verloren van het pontificaal gezag dat bij de dorpsbevol­king had. 
Hij keek streng, maar onderdrukte een glimlach toen hij ons toeblafte:’ Jongens, jullie gaan onmiddellijk met mij mee! De kraaiennesten in de kerktoren moeten nodig uitgehaald wor­den!’ Dat was mannentaal. We vergaten onze  patiĂ«ntjes.

Hij stuurde ons vooruit en kwam even later, beter gekleed, op de fiets. Met een grote sleutel opende hij de torendeur. In de met stront bezaaide nesten bij de galmgaten lagen jonge kauwtjes. Ze waren nog niet groot genoeg.  
Met koperdraad bonden we de  boos pikkende dieren vast aan nesttakken. ‘Wanneer moeten jullie hier weer heen,’ vroeg de dominee.’ Over een dag of tien, Vader,’ zei Hans.’ Zelf erom denken wanneer die vogels oud genoeg zijn,’ antwoordde de predikant.

Wat er van die kraaien geworden is, weet ik niet meer. Hans is net als zijn vader, dominee geworden. Hij is beroepen naar de Randstad, heeft geen pastorie, geen tuin, geen rododen­drons. 
Zijn beide jongens kunnen geen kraaien uit een toren halen. Het moderne kerkgebouw waarin hun vader preekt, heeft de luidklok tussen betonnen pijlers hangen.
Toen ik mijn jeugdvriend een tijd geleden opzocht; ik had in die  buurt gesolliciteerd, kocht ik in een super­markt bloemen.  
In hun moderne flat, zes hoog, keek Hans me peinzend en spottend aan toen Willemijn, z'n vrouw 't papier van de ruiker vouwde en mij vrolijk bedankte:’ Oh, wat prachtig, duizend­schonen!’ Ja, Dianthus Barbatus L., voegde Hans er belerend aan toe.
In hun kamer met veel rotan, dronken we thee. Buiten floot de wind tussen de buizen van het balkon en regen geselde het  kamerbrede raam.

Tekst ©.c.u.


een frisse regenpop



Meisje van de sneeuw wat zijn je gangen
het wintersprookje van je blozende gezicht
schijnt zo vervuld van schoon verlangen
en vlokken brengen dwarrelend bericht.
 
meisje deze eeuw doet een paar passen
even terug je leest een ongeschreven brief
het lichte hemelwoord kan zo verrassen
de wereld wordt vandaag heel even lief
 
gevoelens uit een hinderlaag  en ‘t land
wordt toegedekt, auto’s hebben mutsen op
meisje met de sneeuw en zoveel in je hand
 
 als druppels  nu straks gaan rikketikken
 word jij misschien een frisse
regenpop
en dan zal geen vogel van je schrikken.

©c.u.
 

donderdag 22 januari 2015

Eens in Brugge




Wandeling met Cathelijne

Even aan ‘t Minnewater samen:
in hout geschreven  onze namen
de bomen maakten fluisterwoorden.
en achter ons de acht zaligheden.

Waar Brussel,Gent of Kortrijk spoorden.
was het geheim van treingeluiden
die lokkend ver om aandacht streden.

Jij ging noordelijk, ik naar ’t zuiden,
op  ritme  van een trein, lang alleen;
alles was nog mogelijk naar ’t scheen.

Voorbij  zo’n  horizon wist ik jou
want ver in het allerdiepste blauw
kreeg de hemel er een hemel bij
daar verlangde jij dan ook naar mij.