dinsdag 16 december 2014

Feestdagkaarten





Prettige eindejaarsdagen

De eerste feestdagkaarten zijn al weer binnen
verstuurd door Arie, Olga, Patricia, Sebastiaan
lantaarn, kerktoren, roodborst en sparrenlaan
met hun wensen in mooie krachtig korte zinnen.

Dan lees ik Pieter Dineke Julian Rick of Sander
tenslotte Ricky en Theo die horen bij elkander.
Ze wonen tegenover mij in mijn wijk of straat
hun kerst-ansicht komt vroeg en nooit te laat.

Natuurlijk word ik verrast maar er is een maar;
m’n post wordt terug verwacht dat is niet raar.
Daarom zwerf ik op een avond door de buurt

bezorg hier en daar op goed geluk een kaart
in de hoop dat niemand mij daarbij begluurt.
Op die manier wordt er zegel geld bespaard.
 
©c.u.

donderdag 11 december 2014

Grof geschut




Een boek en een multocahier vlogen rakelings
langs zijn hoofd, knalden tegen het bord en vielen
op de grond achter hem. Een meisje krijste: ‘En
nou ben ik het zat!’ Ze gooide haar tafel en stoel
om, stoof het lokaal uit. De deur knalde. Twee
andere meiden stonden op, riepen: ‘Dan gaan wij
ook!’ 
Opnieuw werd de deur ruw dicht gesmeten.
Het was een donderdagmiddag, het laatste uur. De
rest van de leerlingen keek even op, maar werkte
verder. De projectielen die op hem afgevuurd
waren, bleven liggen.

De leerlingen waren met tekstverklaring bezig; een
eindexamenopgave. Ze moesten voorbereid
worden op het felbegeerde mavo- of havodiploma.
Leuk vonden ze dat niet. Er was gezeurd en
gestribbeld.
‘Meneer Mulder kunt u niks spannenders
bedenken. Het is zo saai, meneer!’
Op zijn kruk vanachter de hoge lessenaar keek hij
op hen neer. Doodziek werd je van dat gemekker.
‘Ik zit hier toch niet voor de klas om grappen te
maken,' zei hij. Ze bleven mopperen. ‘Meneer,
wanneer hebben we zulke vragen en dat
tekstgedoe later nou nodig!’
‘Als ik straks ergens een baan heb, meneer
Mulder, moet ik dan ook alinea’s samenvatten en
open vragen beantwoorden en tegenstellingen
kunnen aanwijzen?’
‘Als je zulke dingen niet kunt, dan haal je geen
diploma en dan mag je alleen maar vakken vullen
of achter een kassa zitten.’
Dat was het moment geweest dat die meid met
grof geschut begon en hem met studiemateriaal
bekogelde.
Hij keek naar het leerboek en werkschrift op de
vloer en bedacht dat de pubers misschien toch een
tikkeltje gekwetst waren door zijn cynisme. De bel
klonk. De klas ging. Iemand raapte de spullen op.
Anderen verzamelden de eigendommen van de
voortvluchtige meiden.

De volgende morgen het derde uur wilden ze weer
het lokaal in. De boekensmijtster was welkom. Die
had hem ’s avonds gebeld en gezegd dat ze
toch wel spijt had van haar ongewone actie. De
twee meelopers, Marieke Sprot en haar vriendin
Leonie Kibbeling, stuurde hij weg. Die vonden niet
dat ze wat uit te leggen hadden. ‘Ga maar naar
rector Schar,’ zei hij.
Die nam hem in de middagpauze apart en was van
oordeel dat ze weer in de les mochten. Die meisjes
hadden tenslotte alleen maar partij gekozen voor
een vriendin. ‘Eerst excuses,’ was zijn reactie.
Schar liep hoofdschuddend over zoveel koppigheid
weg.
Nog twee maal weigerde hij Leonie en Marieke
toegang. Het duurde tenslotte ruim een week voor
ze eieren voor hun geld kozen. Ze kwamen met
een tamelijk neutrale smoes waarbij ze elkaar
telkens in de rede vielen.
‘Het was misschien beter geweest als ze het niet
gedaan hadden, maar hij had ook wel een beetje
begrip kunnen tonen; hun vriendin die verdrietig
was en zorgen had, wilden zij alleen maar
steunen.’
Dat die een tijd later het leven niet meer aankon,
had niemand toen kunnen vermoeden. Misschien
had hij dan voor haar buitensporige gooi- en
smijtactie meer begrip gehad. Het was maar beter
dat je niet alles van te voren wist.

Enfin, ze mochten de klas weer in en begonnen
met frisse tegenzin aan een nieuwe tekst en
moesten veel verwijswoorden, sleutelwoorden en
kernzinnen opzoeken. Met die Marieke bleef hij de
rest van het jaar wat op gespannen voet staan.
Voor Leonie had hij een zwak. Dat kwam vooral
door twee charmante steenkoologen, maar wellicht
had het ook te maken met haar gekke achternaam.
Je dacht natuurlijk direct aan een smakelijk
visgerecht. In het grote achternamenboek kon
echter iedereen verifiƫren dat het allemaal niet
verzonnen was. Haar gaf hij de bijnaam juffrouw
Kibbel en soms gebruikte hij die toenaam ook in
de les, riep dan af en toe: ‘Kibbeltje zit niet aldoor
te kletsen.’ 

Jaren later zou hij ze nog eens ergens
tegenkomen in de volwassen wereld. De ene
werkte op het kantoor van een makelaar bij wie hij
zijn huis in de verkoop had staan omdat hij naar
Groningen terug wilde. Ze reageerde verrast en blij:
‘Ah meneer Mulder, ik heb veel van u geleerd en
we hadden het toch altijd zo gezellig op school.’
Met de andere stond hij eens oog in oog in een
Italiaans restaurantje toen hij daar met een
vriendin pasta at. Met haar donkere flonkerogen
vroeg ze ondeugend lachend of het gesmaakt had
en of ze nog iets na wilden.

Die ogen van Kibbel herinnerden hem aan vroeger,
heel erg lang geleden, toen zijn ouders van de
Veluwe naar Groningen verhuisden. Wat was hij
boos geweest. En ook nu nog dacht hij geƫrgerd:
en mij werd niets gevraagd, ik wilde helemaal niet.
Wat moest ik daar in vredesnaam in dat verre
Noorden op een vreemde Kweekschool zonder de
klasgenoten waar ik in Deventer zo vertrouwd mee
was geraakt…………

zaterdag 1 november 2014

In de knoop




In de knoop

Toen ging ik eens mijn knopen tellen,
hield zij ook van mij was het ja of nee.
Een knoop had vier gaten en soms twee
bij een ja zou ik haar beslist gaan bellen.

Al mijn knopen telde ik klein en groot.
Haar nummer stond wel in mijn klapper,
hopelijk was haar telefoon niet dood,
gaf ze thuis en vroeg ik 't dan dapper .

Elke knoop telde ik van broek of jas.
Zij moest nu al over de zestig wezen
droeg net als ik een bril bij het lezen.

Zij zat toen bij mij in een derde klas.
Ik raakte de kluts kwijt door die knopen:
Nee ja nee maar toch ik bleef hopen.

©c.u.

maandag 27 oktober 2014

Kat in het bakkie



Het is alweer een paar zomers geleden. Misschien vertelde ik deze Petit histoire al eens eerder. Men wordt wat vergeetachtig met de tijd. Op een vroege morgen wou Buurman Pol wat etensresten in zijn kliko gooien,tilde het deksel op en kreeg de schrik van z’n leven.
Met een soort snauwerig krijs- gemiauw, sprong hem een kat in het gezicht. Dat was niet plezierig Bovendien ging het om Gina, mijn poes.
 Ed, zo heet mijn buur, was  totaal van de kaart en bibberde van de zenuwen. Ontdaan liep hij mijn achtertuin in om verhaal te halen.
 Wat waren dat voor rotgeintjes, had ik die  scherp nagelige kat in zijn kliko geparkeerd!
 Ik ontkende, wist van de prins geen kattenkwaad.
Toen buurman in een lagere versnelling ging praten, probeerden we samen   te reconstrueren wat gebeurd kon zijn.
Katten zijn gewoontedieren. Ze hebben vaste sluiproutes. Zo klautert Gina tegen de schutting op, wandelt soepeltjes heupwiegend over duivenhok en fietsenschuur , duikt dan op het scheidingsmuurtje tussen onze huizen en landt vervolgens op mijn kliko, ofwel de grijze vuilnisbak voor restafval. Met een laatste sprong  komt ze op de begane grond en dan  is poes thuis. Zo gaat het altijd: vaste prik!
We bedachten een mogelijk scenario. Aan  buur Pol ’s kant van de tussenmuur staat ook zo’n vuilbak. The night before -gisteravond dus- hadden Ed ’s vrouw  en of een van zijn talrijke kinderen nog wat afval weggegooid. Ze hadden de deksel opgelaten.
 Gina was iets later of in het begin van de nacht op weg naar huis een beetje uit de koers geraakt. Na het loopje over de schuur, was Poeslief aan de Polletjeskant naar beneden gejumpt…….in de open bak! Bij de schok van die ongelukkige landing  was de vuilnisklep dichtgeklapt. Zo kon het gebeurd zijn. 
Zo’n stomme kat toch; had ze niet beter uit haar doppen  kunnen kijken. Ed probeerde weer een beetje te lachen. Ik keek naar de rooie schrammen op z’n kop.
‘Doet het zeer?’
‘Valt wel mee,’zei Ed,’en nou je het zegt, ik heb vannacht aldoor geklepper gehoord. Ik meende dat er ergens een raam  niet op de haak stond, maar dat was  dus jouw Gina die uit de kliko probeerde te springen en te hupsen.’
’Ja een kat in het nauw, springt raar,’ lachte ik.
Dat was het poesavontuur van buurman Pol.
Niet altijd loopt het met een onfortuinlijke kat goed af. Achter onze huizen staat een elektriciteitshuisje. Heel af en toe komt er een technicus van de Puem of Eneco om iets te controleren of te repareren. Zo ook ergens vorig zomer.
 Er kwam na maanden weer eens een man van het Stroombedrijf. Hij ging in het transformatorgebouwtje zijn ding doen. In de tussentijd sloop er een nieuwsgierige kat naar binnen. Toen de monteur klaar was, sloot hij de deur, stapte in zijn dienstwagen en ging.
Na de lange,  weliswaar zachte,  winter vonden andere Enecomannen bij het verhelpen van een stroomstoring in de wijk, het lijk van een uitgedroogde, haast gemummificeerde  kat. Je moet er niet aan denken wat dat arme beest doorstaan heeft.
©.c.u.

woensdag 8 oktober 2014

een slingerblijde gebruikt in de klas om de orde te handhaven

zondag 28 september 2014

Geretoucheerd



Geretoucheerd  beeld

Met  dit gedicht geef ik je hier een nieuwe jas
voor onze liefde in de gure najaarsregen
en tegen de bittere kou een wollen das
dan kunnen de jaren er weer beter tegen.

Jij was dat leuke meisje van de overkant
zo onbekommerd jong en nogal bijdehand
zonneklaar voor ieder dat jij er mocht wezen
met jou zou ik zeker alles gaan beleven.

Terloops is jouw foto daar analoog genomen
om later nog eens bij weg te mogen dromen
maar ik vergat de sterkte van het morgenlicht.

Nu ik je  geduldig en eigentijds bewerk,
wordt je silhouet weer oogstrelend zacht en sterk,
hervind ik dat blije hier ben ik dan gezicht.
©c.u.

28-09-2014
( dit gedicht is een nieuwere versie van het gedicht:"Een nieuwe Jas"van 23-09-2014