maandag 1 april 2013

De eerste April op school in vroeger jaren, een gedateerd verhaal met veel gedus, daarom, gemaar en want!

en het waren soms toch zulke aardige kinderen




Uit de korte tijd dat ik een dagboek  bijhield.

Zo even wat vertellen. Het was het dagje wel; deze 1e april. Er gebeurde aanvankelijk niets vanmorgen. De jongens van 1b gingen het 3e uur met de naaispullen naar de handwerkonderwijzeres, en daar hebben ze les gehad! Verder verliep alles rustig! Het 2e uur na de pauze wilde ik naar 1b gaan om Engels te geven, maar daar was een hospitant aan het rekenen, dus die heb ik daar maar gelaten. Van Kolfschoten was ziek dus ik op zoek naar een andere klas voor mij, maar die was er niet en daarom ben ik maar fijn in de leraarkamer gaan zitten niksen.
Omstreeks 10 minuten voor 12 klonk buiten een oorverdovend gekrijs. Er werd op de bel gedrukt en door de gangen gehold, maar ik dacht eerst:’ze kunnen me wat, ik blijf waar ik ben en ik ga die meute niet wegjagen.

Tenslotte won mijn nieuwsgierigheid het. Ik ging kijken. Buiten, een paar honderd  onbekende leerlingen, roepende:’Hi, ha, happening, 1 April!’. Directeur Buisman op het bordes met knallende zevenklappers voor zijn voeten en enkele leraren in het strijdgewoel. Plotseling stonden er wat op de auto van collega Deuze ook mijn Renault 4 werd bedreigd.
Deuze kwam  uit zijn klas, die nog altijd en rustig zaten toe te kijken, maar ik was hem voor en schopte een paar oproerkraaiers weg. 
Daarna hebben we even met die jongens gepraat. Het waren leerlingen van de Katholieke Uloscholen. Ze waren de hele morgen al op het 1 april – oorlogspad. We hebben hen toen bedankt voor de eer van hun bezoek en met een ‘zo is het wel mooi genoeg geweest’, weer weggestuurd. 

Onze leerlingen, althans de meesten van hen waren braaf binnen gebleven en hadden zich niet bij de herrietrappers aangesloten. Trouwens Vink en Van Dalen, de hoofden van  andere Amersfoortse Uloscholen hadden onze baas Buisman vroeg in de morgen al gebeld, want ze hadden geen leerlingen op school. Zwets, de conrector van het Amersfoorts Lyceum kwam eerder in de morgen opeens voor een vergadering bij Buisman, maar Buisman wist van niks; ook een aprilgrap!
Het eerste uur had ik 1b

Het eerste uur na de pauze zaten ze in 1a allemaal op een andere plaats, ik heb daar natuurlijk niets van gezegd. Toen dachten we tussen de middag, nu zullen al onze leerlingen ook wel gevlogen zijn, maar niets hoor; ze kwamen braaf weer op school. Je hoorde de wildste verhalen. 

Het eerste uur had ik 1b, ze zaten ook op  een verkeerde plaats, maar daar reageerde ik niet op, gewoon geschiedenisles geven. 
Even iets verteld over echte leuke aprilmoppen, in tegenstelling vooral met dat zinloze gejoel. Mijzelf tot keizer en leerlingen tot bisschop, hertog of keurvorst benoemd in verband met de uitleg en de bespreking van de investituurstrijd tussen Paus Gregorius de 7e en Hendrik de 4e . Hier juist mee gereed, toen in de verte weer gejoel hoorbaar werd. Ik zag in een flits Verhoef, de conciërge, door de gang vliegen om de deuren te grendelen, toen stond het plein al vol.

Enkele leerlingen in mijn klas kwamen half overeind, waarop ik donderde:’Ik ben jullie Keizer, zitten!! Gedraag je als waardige onderdanen.’ 
Inmiddels klommen de rebellen op het fietshok en stonden ze voor het open raam te schreeuwen en trokken Jeanet Badenbroek en Anneke van Aanhold aan de haren.
‘Dat zijn ze van de Rijks HBS’, riep een van mijn jongens, waarop ik antwoordde:’De Rijks - Idioten,bedoel je! . Ik gaf bevel om de ramen en de gordijnen te sluiten. De rust keerde wat terug.

Inmiddels waren de leerlingen van collega Gies in 4b uit het raam geklommen. Door afgedwaalde HBS- ers werd de achterdeur geforceerd. In een oogwenk was de hele school vreemd gespuis. De Deur van mijn lokaal vloog open; een verschrikkelijk gekrijs:’Hi Ha Happening, maar ik had 1b verzocht ze in alle stilte heel onnozel aan te kijken, ik ging zelf op mijn gemak zitten , armen over elkaar. 

Buiten op de gang en voor het raam gebrul en wij maar kijken en dat ging een tijd goed tot collega Dijkhuizen ook in de deuropening verscheen en ....
‘Hi Ha happening’,begon te schreeuwen, toe heb ik 1 b er ook maar uitgestuurd. Daarna de schoolleeg geveegd, er waren nog slechts 3 klassen over. En toe kwam 1a op school en moest ik weer les geven.

Op de Huishoudschool hebben ze ook bezoek gehad en op de Christelijke Huishoudschool hebben ze een piano naar buiten getrokken en vernield. En op het Amersfoorts Lyceum hebben de rector en de conciërge de aanvaller( van het Christelijk Corderius lyceum) met brandslangen weggespoten.

donderdag 7 maart 2013

De Roltrap





Als ik voor een  roltrap sta
denk ik oei als ik maar niet
voorover ga en stap ik  des-
ondanks dapper op het ding

dan overvalt mij heel vaak
een duizeling met mijn hand
op de leuning geeft geen
zekerheid  zoals het hoort

ook mijn gevoel ontspoort
als  ik beneden of boven
arriveer is het evenwicht
weer zoek en struikelend

bied  ik geen fraai gezicht
dus als het even kan zal ik de
roltrap mijden omdat andere
wegen ook naar Rome leiden.
© c.u.



woensdag 6 februari 2013

De ijsballen van Jaap Johan


sneeuw is mooi als je er niet mee bekogeld wordt


Het dorp waar het gezin Mulder na de oorlog naar toe trok,  had een eigen volkslied. Het was een lofzang op de mooie natuur en ’t eerlijke karakter van de bewoners.  Chris z’n vader die agent  geworden was,  dacht er al gauw anders over.
Hun nieuwe huis was oud, onpraktisch en te klein. Het stond aan de Langeslag. Een rare naam voor een straat. Eerst dacht Chris dat er ergens in dat geweldige dorp ook een Korteslag moest zijn. Dat bleek niet het geval. Zo was er in die nieuwe woonplaats wel meer in strijd met de logica.
Ze woonden te dicht op de buren. Tussen  de beide huizen was weinig ruimte. Als de buurman op het erf stond, kon die met een gestrekte arm hun  zijraam aanraken .Dat deed hij  niet, maar  moeder verbeeldde zich toch dat er iemand soms  ‘s nachts voorzichtig tegen  het venster tikte.
Gelukkig zorgden de ouderwetse  fraaie glasgordijnen met bloemmotief ervoor dat de inkijk niet al te hinderlijk werd.  Even leken  de  nieuwe huisvesting  en leefomgeving alleszins  acceptabel.

De tweede dag echter  begon de buurjongen  op straat met stenen te gooien. Dat wil zeggen  Chris en zijn broertje kregen de volle laag.  De  drie zussen Mulder bleven voorlopig nog buiten schot. Het joch  heette Jaap Johan, had wit haar en een bleek gezicht. Z’n wangen  en hals hadden  rode vlekken alsof hij  zich schaamde of permanent opgewonden raakte.
De stenengooier had twee zussen. Zij kwamen wat minder prominent in beeld. Maar met die bleekscheet van een  Jaap Johan moest je terdege rekening houden en naar het waarom van zijn actie kon je slechts gissen.
Misschien had de vader die ook  Jaap Johan heette en  met melkboerenhondenhaar en een lijkengezicht gezegend was,  zijn zoon , erfopvolger en stamhouder aangezet tot zulke openlijke vijandelijkheden. De man verdiende de kost met vage dingen en z’n vrouw zat hele dagen achter een oude trapnaaimachine. Daar werd een mens ook niet vrolijk van. 
En, dan kwam er ook nog eens opeens een politieman naast je wonen die door het raam naar binnen keek en al je doen en laten tot aan de intiemste details volgen kon.
Hoe dan ook  de kinderen Mulder werden dus  van tijd tot tijd gestenigd.

Toen de strenge winter van ‘46/’47 inviel, maakte  Jaap Johan junior van sneeuw ijsballen, verstopte daar kiezels in. Onder ’t mom van onschuldige pret probeerde hij , geassisteerd door  zijn zusjes,  de nieuwe buurkinderen geniepig te raken.
 De Mulder zussen nu ook  van de partij, begonnen te schelden: ’ Jaap Johannes De Doper je kont is van koper, je neus is van blik, je ben echt niet goed snik!’ Dat was een vrije vertaling van een of ander aftelversje maar dat  gaf niet.
 Ondertussen vlogen de witte projectielen over en weer. Broertje Kees viel, liep een lelijke schram aan z’n kin op. Huilend bracht hij thuis verslag, maar z’n Pa, de diender, kwam niet in actie, want het harde bewijs ontbrak.

En die Jaap Johan sneeuwbalde fanatiek verder. Hij zag er, afgezien van z’n rode wangen, in die witte wereld nog bleker uit dat normaal.
 Als iemand er zo doorschijnend uitzag, was dat niet gezond, wist je. In hun oude vredige dorpje D. ging  zo’n witneus - hij zat in de derde klas een bank voor Chris-  midden in ’t schooljaar opeens  dood. Dat was onrechtvaardig want die arme jongen deed nooit een vlieg kwaad.
Hun gefrustreerde kleurloze buur jongen van De Langeslag  leek  nog betrekkelijk gezond en  vooral sterk. Het zag er niet naar uit dat  hij zo maar zou stoppen met ademhalen. Nee, met hem waren ze voorlopig nog niet klaar, daar kon je vergif op innemen.

woensdag 30 januari 2013

Hier liggen en staan wij voor paal

In de buurt van Nijkerk

Paalsonnet

Hier liggen wij dus op een hoop voor paal
gladgeschaafd goed geschoren allemaal.
Met ons gaat men strakjes stokjes steken
voor personen met vuile en gemene streken.

We stellen onverzettelijk  paal en perk.
dat is al  jaren lang ons vaste werk;
de rooilijn van het aanpalende perceel.
Zo krijgt je buurman z’n rechtmatig deel.

Ooit waren we een bos en hadden takken.
Een vogel kon blij fluitend op ons kakken.
Die stront stond ons bepaald niet altijd aan.


Maar op  kwade dag hakte men ons om.
We zeiden toen nog doe nou niet zo stom.
Ze lachten:straks mag je voor paal gaan staan.

© c.u.
bij de Eemshaven
Foto's: r.u.

zondag 27 januari 2013

Bevroren waterleidingen en nog iets



WC- problemen
in de pauze rookte ik een sigaret

Ik heb een tussenuur en zit in een lege lerarenkamer mijn zonden te overdenken, want ik had zoveel anders kunnen doen in mijn leven.
Over de nieuwbouw gaan mijn ogen in oostelijke richting. Daar ver weg over Vallei en Veluwe ligt het plaatsje Rijssen, waar de geschiedenis van Bel Campo zich afspeelt. 
Of ben ik in de war met dat andere verhaal, ‘Het Grote Gebeuren', waarin het dat dorpje en de rest van de wereld slecht vergaat.
Er hangen vogels boven de bomen. Als ik vliegen kon, ging ik naar de Achterhoek. De Veluwe moet er vanuit de lucht uitzien als een grote moestuin.

Achter Apeldoorn zou ik het glinsterende lint van de IJssel passeren en in Zutphen zou ik neerstrijken bij die Marijke met de honden, die mijn verdwaalde duif zo liefderijk onthaalde. Hoewel, dat ze honden heeft is vervult me toch met vage onlustgevoelens. 
Vroeger was  ik bang voor alle blaffende beesten; het maakte niet uit of ze groot of klein waren. Hele delen, van ons dorp liet ik links liggen, omdat er honden woonden. Alleen al de bekende bordjes Let op de hond of Ik pas op de spullen van mijn baasje met een afbeelding van het rotbeest ernaast of eronder, waren voldoende voor mij om mijn route naar school of naar de slager te verleggen. Ik maakte grote omtrekkende bewegingen om de confrontaties met Duitse Herders, Deense Doggen, Drentse Patrijshonden en soortgelijke monsters uit de weg te gaan.


Het is stil in de docentenkamer. Ik ben de enige leraar met een tussenuur. Overal in het gebouw wordt gewerkt. Alleen de systeembeheerder loopt  af en toe binnen om in het zijkamertje aan het computerpark te knutselen. Het heeft geen zin een praatje met hem te maken. Hij luistert doorgaans hooghartig naar docenten die om allerlei redenen met toetsenbord of muis worstelen als ze proefwerkcijfers in het bestand willen invoeren, en laat hen overduidelijk voelen dat ze maar domme digibeten zijn.
Boven mij hoor ik gestommel, geschuif van tafels en stoelen en daartussen de soms uitschietende stem van de lerares Engels met de mooie donkere ogen. Ik steek een sigaret op. De liefde en het vferlangen maken me rusteloos.
Er wordt een wc doorgetrokken Boven de lerarenkamer liggen de drie lokalen van de vakgroep Engels met een gang met een toiletgroep en studiehoekjes ernaast. Die wc’s zijn precies boven de koffie- en theebar van de leraren geplaatst. Als er leerlingen onder de les van het toilet gebruik maken zoals nu, dan ruist het spoelwater naast de servieskast en achter het kleine keukenblok naar beneden.

Behalve mijn dubieuze houding tegenover honden heb ik ook met wc’s een tweeslachtige relatie. Dat stamt nog uit de tijd  dat ik meester was op de lagere Rembrandtschool bij meester Van Putten. Hij belastte mij special met het toezicht, als in de pauze de jongens moesten en mochten plassen. Het was mijn taak vond het schoolhoofd  er voor te zorgen dat de bril droog bleef en dat niet de hele vloer drijfnat werd van de jeugdige urine
Zo herinner ik me nu opeens heel duidelijk die strenge winter uit mijn allereerste onderwijzersjaar toen de Rembrandtschool in Ten Boer droog kwam te staan.
De school stonk naar stront. Veel scholen doen dat, maar voor onze Rembrandtschool was dat uitzonderlijk. Van Putten liep bezorgd en besluiteloos rond. Het had de voorbije nachten dramatisch gevroren en nu was de hoofdwaterleiding naar de school dicht en misschien wel kapot. De wc's konden niet doorgetrokken, handen niet gewassen en thee of koffie niet gezet worden. 

Natuurlijk moest de les gewoon doorgaan, vieze lucht of niet. Gelukkig deed de telefoon het wel. Van Putten kreeg verbinding met het gemeentehuis
Om half elf in de pauze kwamen drie grote mannen de speelplaats opstappen. Zij begonnen het plein te vernielen; tegels werden op een hoop gegooid, met een soort houwelen sloegen ze gaten in de stijve grond. Ondertussen maakten ze schuine grapjes in de richting van Juf Jetty Olivier. 
Wij durfden er niets van te zeggen. Al spoedig ontdekten de mannen, dat de waterleiding niet diep genoeg onder de grond was gelegd. 
Ze vertrokken en lieten een verwoest plein achter. In de loop van de dag kwam een gemeenteman vertellen dat de school voorlopig, zolang de vorst regeerde, niet te helpen was. Ze wilden de leiding wel onder stroom zetten met elektriciteit, misschien ging de zaak ontdooien. Niemand mocht meer aan waterkranen of iets dergelijks zitten.

Van Putten kondigde de noodtoestand af. De kinderen kregen opdracht thuis voor school uitgebreid naar het toilet te gaan.
Het geven van Aardrijkskunde, biologie of geschiedenis terwijl een vage geur de atmosfeer verpestte, was verre van aangenaam. De bespreking van't Voorspel van de 80-jarige oorlog kwam bij zo'n verwoest schoolplein in een ander daglicht te staan. Het verhaal van de eekhoorn die in lege vogelnesten een winterslaap houdt en vergeet waar hij z'n wintervoorraden heeft verstopt, kon de kinderen maar matig boeien. 
Buiten liepen immers interessante gemeentemensen gewichtig te doen. De elektrische stroom ontdooide het water niet. De vingers die af en toe werden opgestoken hadden niet veel met de les te maken.
‘Als die waterbuis springt, komt dan het hele plein onder water,’ wilde Roelof Spat weten.
’Dat kan niet joh, stommerd, hij is toch vol gevroren met ijs,’ wees Astrid Prins hem terecht, voor ik kon antwoorden.
’Mag ik naar achteren, naar de wc,’ vroeg Hansje Dijkmans,’ het is maar een kleine boodschap, ik hoef geen grote.’
Dat verzoek moest ik beslist weigeren, want zo'n vraag werkte aanstekelijk; iedereen dacht aan plassen, alle blazen werden actief
’Nee, Hansje,’ dat kan en dat mag niet’
‘Dan knap ik straks, meester, dan is het uw schuld.’
‘Nee, Hans, dat gebeurt niet zo gauw, hou hem maar op.’
Hij was niet tevreden, trok een ongelukkig gezicht, duwde beide handen in zijn kruis en zat ongeduldig te wippen.

‘Zo, Mulder zit jij hier weer te niksen, heb je geen les, zit er geen klas op je te wachten, of heb je ze misschien naar huis gestuurd,’
Zanger, onze praatgrage hulpconciërge, komt de docentenkamer binnen.
‘Jij loopt zelf de hele dag met onduidelijke papieren te sjouwen. Niemand weet waar je er mee vandaan komt en waar je  naar toe gaat. Als jij maar ijverig loopt, denkt iedereen dat je hard werkt.’
‘Zal ik een kop koffie voor de populairste docent van onze school inschenken,’vraagt hij snotvriendelijk.
Koffie hoef ik niet en hij gaat met zijn briefjes weer naar de een of andere uithoek van de school. 
En ik dagdroom weer verder over die koude schoolmorgen van meer dan dertig jaar geleden, toen scholen nog geen centrale verwarming hadden en Van Putten in de vroege ochtend  eerst de kolengestookte kachels aan moest maken.

‘Egmond en Hoorne werden dus onthoofd,’ of iets van dien aard, zei ik waarschijnlijk tegen mijn rumoerig klasje,’ en Margaretha van Parma liet hen in de steek.’
’Wat een stom wijf,’ zuchtte Astrid Prins,’ het waren zulke goeie ridders.’
‘Nee, het waren graven, die kerels, graven zijn geen ridders, reageerde Magda.
De les werd mij eens uit handen genomen.
‘Ik plas hier zo op de grond,’ sprak Hans nu bijna plechtig.
‘Dat laat je uit je hoofd,’ probeerde ik.
‘Alva was ook geen ridder,’ deelde Maria ons nu mee,’Hij stuurde Margaretha naar huis.’
‘Als Hans hier zeikt, ga ik ergens anders zitten,’ riep Gijs van Mook.
‘Ja en ik ook,’ echode Wiebe.
’Ik kan het toch buiten in de struiken doen,’ smeekte Hans smekend,’ toe, meester, het is bittere noodzaak.’
Die zin had hij uit boek of krant, begreep ik.
‘Nou Hans ga dan maar even.’
‘Wij moeten ook,’ riepen nu andere jongens.
Ik stemde toe.
Ze vlogen de deur van het lokaal uit, vijf man sterk.

 Even later zagen we ze over het opgebroken plein in de richting van de rozenstruiken en de hoge kale meidoorns en krulwilgen erachter lopen, Hans voorop met een hand tussen z'n benen.
’Het is gemeen, meester,’zei Maria Zieltjens,’wat moeten de meisjes dan, U trekt de jongens voor. Wij kunnen niet.’
Daar stonden de vijf op een rij en deden wie het verste kon; mijn klas keek ademloos toe. Ze kwamen terug en achter hen stond Van Putten.
‘Dat wil ik niet meer zien, Mulder, ‘dat gaat niet, dat snap je toch ook wel!’
Ik knikte; ik begreep het heel goed. Hij ging en ik trachtte mijn geschiedenis les nieuw leven in te blazen:’ na de terechtstelling van Egmond en z'n vriend kwamen de watergeuzen in opstand, ze veroverden Den Bosch en toen begon de beeldenstorm.’ 
Er klopte chronologisch niets van m'n verhaal; ik was ontspoord. Gelukkig liet de kerktoren weten dat het twaalf uur was en alle kinderen stoven naar huis.
‘Ik heb een verrassing,’ zei Van Putten de volgende dag in het onderwijzerskamertje,’ ik heb een piano aangeschaft en de gemeente brengt vanmorgen een 'rijdend toilet'. Wat het een met ander van doen had, zagen we niet.
’Een piano,’mopperde Van Drie,’ wie mag daar dan mee spelen.’
             

‘Juf Olivier, want die speelt harp,’ zei ons Hoofd en toen begon hij aan een uitgebreide instructie van het gebruik van het mobiele wc’tje. Het was een klein huisje op wielen met twee toiletten en een duistere afvoer. Nooit waren de kinderen zo enthousiast en vaak naar de wc gegaan. 
Vinger omhoog:’ meester mag ik naar achteren’, dan de klas en de school uit, het plein over naar de verste hoek waar de attractie stond. Er werd niet meer normaal gewerkt; uit alle klassen gingen en moesten ze massaal en in mijn klas waar je goed zicht had op de gebeurtenissen, was lesgeven vrijwel onmogelijk.

Drie of vier dagen later viel gelukkig de dooi in; de waterleiding herstelde zich van de vorstaanval en ik kon weer fijn met mijn klas werken. In alle rust mocht ik het verschil tussen laag- en hoogveen uitleggen. De piano werd in de dagen en de maanden die volgden de oorzaak van heel wat wanklanken in onze kleine school- een leefgemeenschap.

De conciërge komt weer eens binnen en onderbreekt de hoge vlucht die mijn gedachten genomen hebben met de vraag of ik koffie wil.
‘Ja, doe maar,’knik ik verstrooid. Die Willem Lodewijk Zanger is mij veel te vriendelijk. Er worden bovendien rare dingen over hem verteld. Hij zou iets met meisjes hebben. Het meest pikante detail dat een tijdlang circuleerde was dat hij met een meisje uit 5havo ergens in de school de nacht had doorgebracht. Maar het schoolbestuur had geen passende maatregelen genomen, dus zou het wel niet waar zijn.
©c.u.