Posts tonen met het label schaatsen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schaatsen. Alle posts tonen
vrijdag 2 maart 2018
Schaatsleed
Schaatsleed
Menig marathon heb ik schaats op kop gereden,
soepeltjes pootje over zoals anderen dat deden,
handen kalm op de rug bij langgerekte stukken,
medaille of herinnerkruis het moest me lukken.
Met tegenstanders werd fair en fel gestreden.
In de sprint was het erop eronder of beneden.
Mijn benen waren goed en scherp mijn noren.
Regelmatig zag de cameraman mij van voren.
Op een dag ben ik in een wak gegleden.
Met nog een ronde of twee drie te gaan
waren mijn kansen volledig van de baan.
Ik was blind door het rood gevlekte lint gegaan.
Mijn kersverse vriendin riep bezorgd ‘ach heden,
ik had aan de start nog wel zo voor je gebeden.’
©c.u.
vrijdag 3 februari 2012
Als je maar hard genoeg rent, kun je over water lopen
Mijn vader had een melkrijder bekeerd uit Roodehaan of Briltil. Dat stond tussen de slordige aantekeningen in het schoolschriftje waarin hij alle processen-verbaal bijhield in de tijd dat hij een eenmanspolitiepost bemande.
Dat bekeerd moest vanzelfsprekend bekeurd wezen want mijn vader kende allerminst zendingsdrang.
Mijn ouders woonden toen in Tynaarlo. Het politiebureau was ingericht in een reserveslaapkamer van hun huis. Welk strafbaar feit die melkrijder pleegde werd niet vermeld. Misschien deugde de verlichting van z’n melkwagen niet of vergat hij richting aan te geven met zijn slaperige hoofd, want melkrijders werken als het nog donker is en mijn politie- vader was onverbiddelijk.
Melkrijders kende ik. Ze vervoerden melkbussen die langs de weg stonden met paard en wagen, tractor of vrachtauto.
Mijn oom Jan uit Adorp had een melkrit en Pieter Hommes uit Oldenzijl bijvoorbeeld; vriendelijke mannen die geen vlieg een poot of vleugel uittrokken. Zulke lui gaf je geen bekeuring! Maar vader was streng, niet rechtsom, of linksom maar rechtdoor zee.
Door die notities in ‘t verbaalschriftje, kwamen andere melk gerelateerde herinneringen boven drijven. Lang geleden moest ik rond melktijd in de vooravond verse melk halen. Op de fiets met een blauw akertje, een soort mini- melkbus, ging ik de boer op; tijdens de oorlogsjaren in Doornspijk en later in Heerde. Die missies waren niet zonder kleine irritaties. In die eerste woonplaats vlogen Hurricanes, Spitfires en Mosquito’s laag boven de weg met bomen en schoten op Duitse transportcolonnes.
In Heerde fietste ik op winteravonden de Broekpolder in naar boer Wiggert, een grote dierlijke man die mij hinderlijke vragen stelde over avonturen met meisjes. Die had ik niet.
Als ik de warme halfverlichte stal binnen liep, bulderde hij steevast in het dialect van de streek; ‘ie lus strakkies vas wel roggebrood met spek.’
Dan kwam hij onder een koe vandaan, gooide zijn emmer leeg in een melkbus, wees naar Gretha, z’n veel jongere vrouw die een paar koeien verder aan de spenen trok, en lachte: ‘kiek mar es goed, das ’n lekker wief of dachie van niet.’
Hij ging dan naar haar toe, kneedde in een forse dij die half onder de opgeschorte rok in zicht kwam.
’ Noen wa zeggie d’r van das toch bes vleis !’
Ik wist niet hoe ik kijken moest ; de ellendeling genoot . Ik dacht; schiet op met die melk, want ik wou weg. Maar Wiggert nam de tijd, informeerde terloops of mijn vader de politieman het nog wel met mijn moeder deed.
En altijd draaide het er op uit dat ik even later in de kleine keukenwoonkamer brood met spek moest eten. Rinus Wiggert zei dat spek goed voor een jongkerel was, want dan kon je goed fieken of nijen.
Dan kwamen de sterke verhalen over de smerige dingen die hij met de dorpsmeiden deed.
En die blonde blozende mollige Gretha van hem lachte, vond alles mooi als haar Wiggert zo opschepte.
Soms sneed hij een ander onderwerp aan.
Eens had het de nacht ervoor gevroren en Wiggert wilde weten of ik al geschaatst had.
Ik zei dat je over een nacht ijs niet rijden kon .
Natuurlijk kon niemand in het dorp zoiets, maar hij Rinus had vorig jaar toen er een vel ijs van een halve centimeter lag, Lammert Groothuis en Willem Pannekoek uitgedaagd voor een wedstrijd over het kanaal van de sluis naar de melkfabriek. Hij had ze de kop gek gemaakt. Dus staken ze van wal.
Het eerste stuk ging , maar richting melkfabriek had je warmer water; daar werd geloosd . Lammert en Willem zakten door het ijs.
Hij, Wiggert niet, want zei hij,’as ‘t ies under mien ene poot kapot gunk, zetten ik rap m ’n andere schoatse weer veuruut. ‘
‘Dat kanniet’, zei ik.
Nou besloot hij, het stond toch ook in de Bijbel; wanneer je maar hard genoeg rende kon je over water lopen.
Hij knipoogde naar zijn vrouw.
Roggebrood en spek waren op en ik mocht met de melk weg.
Of ik in die tijd gedroomd heb van een Wiggert die als een groteske vogel over het ijs fladderde weet ik niet. Het moet haast wel want meestal ging ik niet graag naar die boerderij.
En vader vond ‘t om de een of andere reden niet goed dat mijn zuster de melk bij boer Wiggert ging halen.
©c.u.
©c.u.
dinsdag 31 januari 2012
Schaatsleed
![]() |
| het ijs is nog niet dik genoeg |
Menig wedstrijd heb ik scheve schaats gereden,
soepel pootje over zoals anderen dat deden,
handen op de rug bij langgerekte stukken,
medaille of herinnerkruis ’t moest me lukken.
Met tegenstanders werd er gestreden.
Het was erop eronder of beneden.
Mijn slag was goed en scherp mijn noren.
Met regelmaat zag je mij van voren.
Toen ben ik ijskoud in een wak gegleden.
Met nog maar een ronde of twee te gaan
waren mijn kansen volledig van de baan.
Heel stom was ik door ’t rode lint gegaan.
Mijn vriendin riep van de kant ‘ach heden
en ik had bij de start nog zo voor je gebeden.’
c.u.
Eigenlijk zou ik dit sonnet moeten opdragen aan Jan Uitham, een beroemde achter-achterneef van me die in zijn ijver om de Noorderrondritten te winnen, vlak bij huis en haard en finish door het ijs zakte omdat hij in zijn ijver om te winnen rode waarschuwings- linten negeerde.
Hij had geen zin om te klunen en wou op topsnelheid verder sprinten. Het gebeurde dicht bij zijn huis, daar rende hij als een natte kat heen, trok een droge trui aan en zette terug op het ijs de achtervolging in...........
c.u.
Eigenlijk zou ik dit sonnet moeten opdragen aan Jan Uitham, een beroemde achter-achterneef van me die in zijn ijver om de Noorderrondritten te winnen, vlak bij huis en haard en finish door het ijs zakte omdat hij in zijn ijver om te winnen rode waarschuwings- linten negeerde.
Hij had geen zin om te klunen en wou op topsnelheid verder sprinten. Het gebeurde dicht bij zijn huis, daar rende hij als een natte kat heen, trok een droge trui aan en zette terug op het ijs de achtervolging in...........
Abonneren op:
Posts (Atom)



